Dieren Isabellagriend                                    Terug naar de overzichtspagina Natuur Isabellagriend

Bevers.
Een europese bever in het water tussen de waterpest; een foto van de site van Stichting de ArkHelaas hebben we bevers (de europeese Castor Fiber) nog niet in levende lijve kunnen fotograferen of filmen bij het naaktstrand, dat komt omdat deze dieren vooral in de schemering uit hun burchten komen als de omstandigheden gunstig zijn. Burchten zijn er op het naaktstrand overigens niet, maar wat niet is komt misschien nog ooit. Op Youtube zijn wel interessante films te vinden; start met deze trailer.
Bevers zijn na de Zuid-Amerikaanse capybara de grootste knaagdieren ter wereld. Ze kunnen worden herkend aan hun donkerbruine pels, korte poten en platte staart. Ze zijn enigszins plomp gebouwd, zijn ongeveer 1 meter lang (exclusief de staart van ± 30 cm) en hebben een gewicht tot 30 kg. Duiken en zwemmen kunnen bevers als de beste, maar op het land kunnen ze zich niet echt snel voortbewegen. Ze kunnen met gemak zeker 5 minuten onder water blijven. Hun achtervoeten hebben vijf tenen met daartussen zwemvliezen. De tweede achtervoetteen heeft een kleinere dubbele nagel, die dient voor het schoonmaken van de vacht. De horizontaal afgeplatte, geschubde staart is 12 tot 15 cm breed en wordt gebruikt om alarmsignalen te geven door ermee op het water te slaan, om mee te sturen tijdens het zwemmen en als metselwerktuig. Bevers hebben 20 wortelloze tanden en kiezen. De snijtanden zijn beitelachtig en hebben een oranjerode buitenste glazuurlaag. De hersenen zijn in vergelijking met die van andere knaagdieren buitengewoon goed ontwikkeld.
Bevers eten uitsluitend plantaardig materiaal. Het menu bestaat onder andere uit oeverplanten, riet, wortelstokken van waterlelies, jonge twijgen, bladeren en boomschors. In de zomer eten ze vooral kruiden en waterplanten. De bomen die bevers doorknagen, zijn bij voorkeur 8-20 cm in diameter, van de soorten wilg en populier (vooral ratelpopulier), en in mindere mate ook berk en wilde kers. Ze geven de voorkeur aan bomen die dicht bij het water staan. Een 8 cm dikke wilg is in vijf minuten doorgeknaagd, aan grotere bomen werken ze verschillende nachten achter elkaar. Volgens waarnemingen moest een groep bevers zelfs enkele maanden werken om een 85 cm dikke populier te vellen. Elke bever knaagt per jaar 200-300 dunne populierenstammen door. Op een halve hectare land vindt een beverkolonie 1-1½ jaar lang voedsel. Aan dikke bomen werken vaak twee bevers tegelijk, waarbij meestal de een knaagt en de andere op de uitkijk staat. Een gevelde boom wordt in stukken geknaagd, hoe dikker de boom hoe korter de stukken. Voor zover de schors nog te eten is, schillen ze deze af en eten hem op. Bevers houden geen winterslaap en als het water dichtgevroren is, moeten ze twijgjes en schors eten die ze in de zomer hebben verzameld.
Aan grote rivieren die te breed zijn om een dam in te bouwen, nemen bevers genoegen met een eenvoudig hol in de oever met minstens 2, maar vaak wel 4 of 5 ingangen, die steeds onder water liggen. In de oever wordt een verblijf, 'ketel', gebouwd, dat ongeveer 1,20 meter breed en 40-50 cm hoog is en dat aan de binnenkant zeer zorgvuldig glad is gemaakt. Als de waterspiegel van de rivier stijgt, moet ook de vloer van het woonhol verhoogd worden. Daartoe schraapt of knaagt de bever eenvoudig aarde af van het plafond. Soms leggen bevers hun burchten ook midden in een stuwbekken aan, door met water verzadigde takken en modder op te hopen tot het kunstmatige eiland dat 1 à 2 meter boven de waterspiegel uitsteekt. Vervolgens wordt het eiland uitgehold en van een ketel en gangen voorzien. Vooral in noordelijke streken dicht de bever zijn burcht zorgvuldig af met modder en leem.
We zien ze dan wel nooit, maar hun daden benne groot, zoals we in het voor- en najaar vaak zien, en daarvan hebben al meerdere malen foto's in onze nieuwspagina, zoals die hieronder, gestaan.
Foto van Ad van ZeelandFoto van Ad van ZeelandFoto van Ad van ZeelandFoto van Ad van ZeelandFoto van Ad van Zeeland
Wilt u nog meer van bevers weten dan verwijzen we u graag naar deze site: Bevers op de site van Stichting de Ark.

Galloways.
De meest bekende en duidelijk zichtbaar aanwezige dieren bij de Isabellagriend zijn de Galloway-runderen. Alhoewel het jaarrondbegrazers zijn verhuizen ze in de wintermaanden naar een plaats waar in ieder geval geen hoogwater van de Maas kan komen. In de winter zult u ze dus doorgaans niet aantreffen.
een net geboren jong onder bescherming van zijn moederDit hier links is ma galloway met haar kalf gefotografeerd net nadat ze haar kalf aan de kudde heeft gepresenteerd. Ongeveer een á twee uur daarvoor had ze het ergens midden in het gras ter wereld gebracht. Ze was even in de buurt gebleven en daarna heeft ze het als het ware al af- of liever oplikkend op de been geholpen. Althans ze leek het op enige afstand. Zo'n nieuweling wordt echt verwelkomd in de kudde met luid geloei door de overige groepsgenoten.
hetzelfde jong met zijn moeder ongeveer een half jaar laterBegin van de zomer 2004 konden we dit allemaal meemaken bij de Isabellagriend en het was een gebeuren met toch wel iets van menselijke trekjes. Hiernaast rechts ziet u het kalf enkele maanden later. Zoals u ziet nuttigt het nog altijd moedermelk. De aanwezige galloways zijn over het algemeen rustige dieren waar je niet bang voor hoeft te zijn. Ze gedragen zich als een kudde. Als dat nodig is - bijvoorbeeld wanneer ze het gras onder je badlaken dreigen te gaan verorberen - kun je ze met een kordaat en gedecideerd optreden sturen in de richting waarin je ze wilt hebben. In de loop van 2004 leken ze steeds minder mensenschuw te worden- ze schrokken niet meer op als je hen op een dikke meter passeerde - , maar je moet altijd oplettend met hun om blijven gaan. Er was in 2004 een stier bij.
Er zijn eigenlijk maar twee nadelen aan deze beesten. Ze leggen overal van die bruine niet te eten vlaaien neer, die natuurlijk altijd ergens in de looppaadjes komen te liggen. Daarnaast zeiken ze in het water, want waterschuw zijn ze zeker niet. Op warme dagen zoeker ze er verkoeling in.











Egeltje

Zo maar op een ochtend ontdekten we hem of haar en bij toeval was het fototoestel meteen bij de hand. Hij of zij heeft duidelijk een keer een verwonding bovenop zijn snuitje opgelopen, maar alles leek verder prima in orde met het beestje.
Na de fotosessie hebben we hem of haar gewoon zijn of haar weg laten vervolgen en al spoedig verdween hij of zij in het struikgewas. Aan zijn ruischen in het struikgewas hadden we hem ook ontdekt. Het is een zogenaamde Europese egel een van de bestaande 15 soorten. Egels leven bij voorkeur in halfopen landschappen. In Nederland is de egel een beschermde diersoort. De egel is overwegend 's nachts actief. De dag brengen egels door verstopt in een nest van bladeren of op een andere donkere plek. In de winter houden ze een winterslaap. In ons land is dat van eind oktober tot eind maart of begin april.



Bruine pad
Hij of zij was al eens op het nieuws op deze site. Het is de Bruine pad (Bufo bufo; 8 - 15 cm).
Daarvan hebben we de volgende omschrijving: "rug grijsbruin of olijfkleurig, wrattig; buikzijde lichter; pupil horizontaal; eet wormen spinnen insecten en naaktslakken; is meestal in de schemering actief.
Ze bezitten grote kussenvormige verzamelingen gifklieren (parotoïden) achter de trommelvliezen. Men kan deze pad zonder gevaar in de hand nemen: het uitgespoten vocht is reserve-watervoorraad uit de urineblaas; het wittige gif uit de parotoïden, dat gevaarlijk is voor de slijmvliezen(de bek van de vijand), wordt slechts bij zeer ruwe behandeling uitgeperst.
Padden beschikken over korte achterpoten, waarmee ze slechts kleine sprongen maken en meestal lopen. Ze hebben ook grote ogen waarmee ze vlug hun prooi of gevaar ontdekken.
Direct na hun winterslaap gaan de padden op weg naar hun paarplaats: stilstaand water. Door hun instinct zoeken ze de plaats op waar ze zelf zijn geboren. De trek geschiedt ’s nachts bij een temperatuur van +5°C of hoger. Door het drukke verkeer halen vele padden de overkant niet. Daarom zijn vele milieuorganisaties gestart met een padden overzetactie.
Half oktober 2004 verscheen in de media het bericht dat 30% van de amfibieën dreigt uit te sterven. Kikkers en salamanders worden steeds zeldzamer. Voorbode van nog ingrijpender onheil? Toename milieuvervuiling!

Groene Kikker (Rana esculenta)
foto van Roger LindenDeze groengekleurde kikkers hebben een lengte die tussen de 5 en de 9 cm. ligt. Er zijn drie soorten groene kikkers: de kleine groene kikker, de middelste groene kikker en de grote groene kikker. Onderling zijn ze door ervaren waarnemers te onderscheiden door de grootte van de metarsusknobbel. Voor een betrouwbare determinatie is bloedonderzoek gewenst.
Ze komen de hele zomer voor, om en in schoon water en stellen geen specifieke eisen aan hun biotoop. Wel moeten ze kunnen "zonnen", bij een poel die vaak in de schaduw ligt, zullen ze op zoek gaan naar een plek waar meer zon is, is deze niet aanwezig dan zullen ze weg trekken. Kortom ze horen wel een beetje bij het naaktstrand en in de poel die aan de noorwestzijde is ontstaan hebben we ze in 2006 voor het eerst aangetroffen.
Er zijn drie soorten groene kikkers: de poelkikker of kleine groene kikker (Rana lessonae), de meerkikker of grote groene kikker (Rana ridibunda) en de kruising tussen deze twee: de middelste groene kikker (Rana klepton esculenta).
De poelkikker lijkt een voorkeur te hebben voor kleine, relatief voedselrijke wateren zoals drinkpoelen en sloten (op zand- en leemgrond); de meerkikker voor grote wateren op klei. De middelste groene kikker kan in allerlei wateren voorkomen, bijna altijd samen met één van de oudersoorten.
De groene kikker is niet bedreigd maar wel beschermd. De groene kikker is met zijn 10 cm een stukje groter dan de bruine. De vrouwtjes van de groene kikker doen hun naam meestal alle eer aan. De mannetjes daarentegen kunnen soms zo donkergroen zijn, dat je ze zou verwarren met de bruine kikker als je niet naar de wang zou kijken. De rugzijde vertoont zwarte vlekken. Op de achterpoten heeft hij een witte tot felgele tekening en op de rug een lichtgroene streep. De kop van de groene kikker is smaller dan die van de bruine kikker. Zijn huid is glad. In tegenstelling tot zijn bruine collega, is de groene kikker een vrij schuchter diertje.

Konijn
foto van Roger LindenDit konijntje kwam via het gras op een plek waar we met zijn allen lagen te zonnen en waarschijnlijk te slapen, anders was hij allang een andere kant opgegaan. Vervolgens rende hij of zij hard weg, maar Roger Linden kwam net van die kant aanwandelen met het toestel in de hand en zo kon deze foto worden gemaakt.
Konijnen behoren tot de haasachtigen. Die hebben, als echte planteneters, grote platte plooikiezen. Verder hebben ze relatief grote achterpoten, lange oren, grote ogen en terugtrekbare huidflapjes voor de neusgaten. In plaats van kussentjes zit er op de voetzolen een dikke haarvacht. Onder de kin zitten klieren die een stof afgeven om het territorium mee af te bakenen. Konijnen hebben een grijsbruine vacht met een okerkleurige nek. Vrouwtjes hebben een iets smallere kop dan mannetjes en zijn over het algemeen iets minder zwaar. De oorpunten hebben een dun donker randje aan de buitenzijde. De korte staart is zwart van boven en wit aan de onderkant. De staart is meestal opgewipt, zodat alleen de witte onderzijde zichtbaar is.
Konijnen leven in holen en hebben daarom een voorkeur voor zandige bodems waarin het makkelijk graven is. Ze prefereren halfopen landschappen en mijden vochtige terreinen zoals moeras en veen of zware klei, omdat ze daarin geen holen kunnen graven.
Als we buiten de vroege ochtend of de latere namiddag konijnen zien bij de Isabellagriend is er vaak wat met het beestje aan de hand en is het ziek. Vaak betreft dit myxomatose of VHS, twee virusziekten. Als een konijn zo'n ziekte eenmaal heeft, is het meestal niet meer te redden.