Insecten Isabellagriend                                    Terug naar de overzichtspagina Natuur Isabellagriend

Hoornaar (Vespa crabro) is een grote wespensoort.
Hoornaar - Gé DriessenBehalve door haar afmeting valt de hoornaar op door haar roodachtige borststuk en haar felle geluid. Zij komt niet veel voor in België en Nederland, maar is ook geen zeldzaamheid. Hoewel de grote hoornaar meer dan twee keer zo groot is als de gewone wesp, is zij beduidend minder agressief ten opzichte van de mens. Als zij steekt is dit een stuk pijnlijker dan bij een gewone wesp of bij, maar ze steekt minder snel - al kan de hoornaar wel erg weerbaar zijn als het erop aankomt een nest te verdedigen. Werksters zijn 18-25 mm, koninginnen 25-35 mm en mannetjes tot 28 mm lang.
In de volksmond doen fabels de ronde dat een paar steken al voldoende zouden zijn een mens of paard te doden. Dat is onzin, tenzij die persoon toevallig allergisch is. Het gif is vergelijkbaar met dat van andere wespen (en bijen), maar het bevat een hogere concentratie van de neurotransmitter acetylcholine, waardoor de steek erg branderig aanvoelt. Net als bij gewone wespen zijn voor een niet-allergische mens circa 500-1000 steken nodig om dodelijk te zijn en aangezien nesten zelden zo groot zijn en slechts één op de tien dieren uit het nest zullen steken is de kans klein. Dat de dieren killer wasp (moordenaarswesp) genoemd worden zal eerder samenhangen met de manier waarop zij andere insecten jagen en verorberen - voor die dieren is de hoornaar inderdaad een geduchte moordenaar.
In tegenstelling tot kleinere wespen is de hoornaar niet sterk geïnteresseerd in zoetigheid. Hoornaars vangen vooral andere insecten, waaronder bijen maar ook grote insecten als libellen, en likken vaak het uittredende sap van beschadigde bomen, waarbij ze ook de bastranden openknagen met hun grote kaken. Dit zal waarschijnlijk ook duidelijk de reden zijn waarom we in september 2010 veel hoornaars bij de Isabellagriend zien. De vele omgevallen bomen na de storm van juli zijn de oorzaak. Hoornaars zijn in de herfst op afgevallen fruit te vinden, maar komen niet af op zoetigheden. De hoornaar is een goede insectenbestrijder doordat ze grotere prooien aankan dan de andere wespen. Hoornaars vliegen ook 's nachts en komen dan op kunstlicht af.

Hoornaarzweefvlieg (Volucella zonaria)
Hoornaarzweefvlieg - Ad van ZeelandHoornaarzweefvlieg - Ad van ZeelandHet bloeiende koninginnekruid trekt altijd vlinders en insecten aan. Zo ook in juli 2008 deze hoornaarzweefvlieg.
Deze zweefvlieg wordt groter dan de meeste soorten en kan 2,5 centimeter bereiken. Het is zoals alle zweefvliegen een onschuldig diertje dat leeft van nectar en stuifmeel, maar sprekend op een gevaarlijke soort lijkt. Dit wordt mimicry genoemd, en deze soort lijkt op de hoornaar, die tot de wespen behoort, vanwege de grootte en de oranjebruine kleuren.
Andere zweefvliegen lijken meer op kleinere soorten wespen vanwege een zwart-gele bandering of meer op hommels door een dichte beharing. De belangrijkste verschillen zijn de taille, die zweefvliegen niet hebben maar wespen wel, en de zeer schichtige vliegbewegingen, de hoornaar vliegt zigzaggend en meer vloeiend. Ook zijn wespenogen meer langwerpig van vorm, die van de zweefvlieg bijna rond. Het achterlijf van de hoornaarszweefvlieg is geel met dunne zwarte dwarsstrepen, een bruinoranje glanzend borststuk en een gele kop. Dit laatste geldt overigens alleen voor het vrouwtje. Bij het mannetje staan de ogen dichter bij elkaar en zie je het 'gele streepje met punt" niet.
Opmerkelijk is de ontwikkeling van de larve, veel soorten zweefvliegenlarven eten bladluizen, maar de larve van deze soort leeft op de bodem van een bewoond wespennest. Hier voed de larve zich voornamelijk met afval zoals dode wespenlarven en stervende wespen en richt dus geen schade aan. Hoe de weerloze vlieg het voor elkaar krijgt om zonder herkend en gedood te worden het nest binnen te dringen is niet bekend. De hoornaarzweefvlieg komt voor in centraal en zuidelijk Europa, noordelijk Afrika en Azië inclusief Japan. In Nederland en België is de soort niet overal algemeen.(Wikipedia)

Vliegend hert
Vliegend hert - Gé Driessen Hier een Vliegend Hert en wel een mannetje. Ja... zult u zeggen, maar die komen toch niet op het naaktstrand voor. Die zitten in holle wegen in Zuid Limburg enzovoort. Twee weken geleden echter is Gé Driessen op het strand bijna twee keer in botsing gekomen met een vliegend exemplaar van dit beest. Vandaar dat hij er speciaal op zoek naar is gegaan en het vorige week heeft gefotografeerd in Zuid Limburg op een plaats waar hij meerdere en vooral ook dode exemplaren vond. Het vliegend hert is de grootste kever van Europa en de mannetjes vallen daarnaast op door de reusachtige kaken of mandibels die afsteken door de roodbruine kleur. Het grootste verspreidingsgebied van de kever binnen Nederland is gelegen in Zuid Limburg. Het is geen aaneengesloten gebied maar betreft meerdere nabijgelegen populaties die verschillen in grootte. Daarnaast vinden we ze nog in Overijssel en Gelderland. Kortom het is toch wel bijzonder dat zo'n beest ons strand heeft bezocht. Misschien houdt hij van bloot of was hij gewoon even de weg kwijt?
In Nederland komen naast het 'gewone' vliegend hert nog drie andere soorten voor, die veel kleiner blijven. Het klein vliegend hert (Dorcus parallelipipedus) is van deze drie de grootste soort. Het klein vliegend hert lijkt veel op de vrouwtjes van het vliegend hert, maar blijft kleiner (tot 3 centimeter). Ook het blauw vliegend hert (Platycerus caraboides) en het rolrond vliegend hert (Sinodendron cylindricum) komen hier voor, al zijn ze zeldzaam. Ze zijn bovendien veel kleiner dan het vliegend hert. Geen van deze drie soorten vliegende herten is als zodanig te herkennen, omdat een geweiachtige vergroeiing van de mandibels ontbreekt. Het blauw vliegend hert heeft meer de vorm van een loopkever en het rolrond vliegend hert doet door het sterk gewelfde lichaam meer denken aan een mestkever.

Bosbeekjuffer
Bosbeekjuffer - Michel SchepersBosbeekjuffer - Roger van der Linden De bosbeekjuffer (Calopteryx virgo) is een 45 tot 49 mm grote Juffer die in vrijwel heel Europa voorkomt. Door het verdwijnen van zijn biotoop, langzaam stromende (bos)beken met een hele goede kwaliteit van het water, is de soort in Nederland sterk achteruit gegaan en staat dan ook op de Nederlandse Rode lijst (libellen) als bedreigd. In 2010 voor het eerst bij de Isabellagriend gefotografeerd.
De bosbeekjuffer is te verwarren met de weidebeekjuffer (zie hieronder), waarmee hij samen voor kan komen. De vleugels van mannetjes bosbeekjuffer zijn bijna helemaal donker en die van de weidebeekjuffer aan de basis en de top doorschijnend. De vleugels van de vrouwtjes zijn bruinig respectievelijk meer groen doorschijnend van kleur.
De bosbeekjuffer vliegt van mei tot begin augustus. Vanaf zitposten verdedigen de mannetjes hun territorium. Hij laat indringers de binnenkant van zijn vleugels zien en wint meestal het daaropvolgende (schijn)gevecht.
Vóór de balts laat het mannetje de rode stip aan de onderkant van zijn achterlijf aan een passerend vrouwtje zien. De balts verschilt per soort van de familie Beekjuffers. Het vrouwtje zet na de paring, die zo'n vijftien minuten duurt, de eitjes met haar ovipositor (legbuis) af in waterplanten. Ze begeeft zich daarbij soms helemaal onder water.

Weidebeekjuffer
Prachtige weidebeekjuffer macro- Ad van ZeelandPrachtige Weideeekjuffer- Ad van ZeelandDe Weidebeekjufer - Calopteryx Splendens - hadden we al enkele jaren niet meer gezien bij de Isabellagriend. Het insect valt op door zijn langzame, eigenaardig fladderende vlucht en door zijn opvallende brede donkere zwartblauwe band op zijn groenachtige vleugels. Zijn metaalblauwe kleur is ook prachtig. Het gefotografeerde insect is een mannetje omdat hij alleen deze genoemde kenmerken heeft. De weidebeekjuffer is te vinden langs de oevers van traagstromende wateren. De ontwikkeling van de larven duurt 2 jaar in het water. De volwassen juffer leeft vaak maar 2 weken

Hoefijzer Azuurjuffer
Roger LindenDe azuurjuffer behoort tot een groep van bijna 15 blauwe waterjuffers. Al die soorten uit elkaar houden kan een geweldige tour zijn. Of we hier met de hoefijzer azuurjuffer van doen hebben is dan ook niet geheel zeker. Daarvoor zou het tweede achterlijfsegment te zien moeten zijn, want dat heeft een hoefijvormige tekening. Bijna elke soort heeft daar een unieke tekening. Bij de azuurjuffer zien we daar een blauwe U-tekening. De mannetjes zijn bovendien flink blauw, want er is slechts één segment zwart aan de bovenkant. Daarmee zijn ze de meest blauwe juffers van allemaal. De vrouwtjes hebben elk segment zwart aan de bovenkant en zijn daarmee de donkerste van allemaal. Overigens kunnen ze blauw zijn, maar meestal zijn ze lichtgroen, soms wat wittig. Bij beide geslachten kent het borststuk een ononderbroken lichte streep, die bovendien net iets smaller is dan de zwarte streep eronder. Met een lengte van 30 tot 35mm en een spanwijdte die uiteenloopt van 4 tot 5cm één van de grootste blauwe juffers.
In de buurt van stilstaande wateren. Vliegt van mei tot september.

Langpootmug
Roger Linden - Langpootmug De langpootmug (Tipula oleracea) is slank, heeft een 15-25 mm lang lichaam met smalle vleugels die net als dit lichaam grijs bruin zijn. De langepoten vallen bij ruwe aanraking gemakkelijk af.
Ze komen van april tot oktober voor op graslanden, in akkers en in vochtige bossen.
Langpootmuggen worden soms verward met hooiwagens. Hooiwagens zijn echter spinachtige dieren, terwijl langpootmuggen echte insekten zijn. Ze vliegen vaak laag over de grond, komen `s avonds op het licht af en fladderen luidruchtig rond de lamp. Ze werden vroeger daarom ook wel glazenmakers genoemd.
Volwassen langpootmuggen gebruiken niet veel voedsel. Hun monddelen zijn omgevormd tot een zuigsnuit waarmee ze sappen uit planten en bloemen opnemen. ze zuigen geen bloed van mensen, zoals vaak ten onrechte wordt gedacht. Eiafzetting in de grond. de larven voeden zich met humus en gedeeltelijk ook met plantenwortels.

Keizerlibel
Roger Linden - Keizerlibel in de vluchtkeizerlibel- Roger Linden Roger Linden maakte in de zomer van 2007 deze helaas wat onscherpe foto's van de Keizerlibel. De kiezerlibel is heel moeilijk te fotograferen omdat ze nauwelijks gaat zitten en heel de tijd heel dominant en andere libelles verjagend rondvliegt. De keizerlibel is prachtig van kleur en groter dan de andere libelles.
Met een lengte van ruim 8 cm en een blauw lijf met een zwarte brede band over het achterlijf is de keizerlibel dus een opvallende verschijning. Het mannetje is fel blauw gekleurd. Het vrouwtje is valer van kleur en neigt soms naar de groene kant. De zijkant van de hoge borst is groen van kleur.
De keizerlibel komt het meest voor op plaatsen met stilstaand water. Vaak op plekken zoals grote vennen maar ook langs plassen. Grotendeels op zandgronden, rond gebieden zoals het fochteloerveen en in de duingebieden.
De voortplanting vindt plaats bij allerlei stilstaande wateren. De vrouwtjes leggen de eitjes op plantendelen die op het water drijven. De larven die eruit voortkomen blijven tot de gedaanteverwisseling onder water. Libellen brengen de meeste tijd door onder water als larve.

Vuurlibel
Roger Linden - VuurlibelDe vuurlibel (Crocothemis erythraea) is een felroodgekleurde middelgrote libel (36-54 mm), die veel in Zuid-Europa wordt gezien, maar ook in het zuiden van Nederland zijn enkele grotere populaties. De overige waarnemingen zijn meer incidenteel. De vuurlibel geldt nog als een zeldzame soort, maar wordt wel steeds algemener.
Het onderscheiden van de ene soort libel van andere is niet altijd even eenvoudig. Aanvankelijk dachten we aan de hand van de foto's te maken te hebben met heidelibellen, maar een meer deskundige bezoeker van deze pagina wees ons op onze vergissing.

HeidelibelDe vuurlibel is iets groter en oogt forser dan de bruinrode heidelibel. Het rood van de mannetjes is ook intenser dan dat van de Sympetrum soorten. Het achterlijf is wat afgeplat.De basis van de achtervleugels heeft een geelbruine kleur. Ook de vleugeladeren van voor- en achtervleugel zijn over enige lengte geel. Ook heeft hij geen zwart aan de poten. Op deze manier kunnen ook de bruingele vrouwtjes en jonge mannetjes met zekerheid worden onderscheiden. De vrouwtjes hebben een fijne zwarte lengtestreep over het achterlijf en in het verlengde daarvan een wat bredere witte streep tussen de vleugels. In Nederland vliegt hij vanaf midden juni tot begin september.Ze komen voor bij allerlei stilstaande, zonnige wateren: plassen, vennen, poelen en sloten. Zowel kale als sterk begroeide watertypen worden door de vuurlibel benut.
De larven overwinteren een keer. Ze zijn waarschijnlijk bestand tegen een periode van uitdroging. Uitsluipen gebeurt van begin mei tot begin augustus.

Variabel Bladhaantje (Chrysomela varians)
Foto van Roger LindenEen Variabel Bladhaantje komt vrij algemeen voor en heeft een zeer variabele kleuring: metaalachtig-glanzend blauw, groen, roodbruin, violet en bronskleurig tot zwart.
De kleuring wordt mede beïnvloed door de lichtval. Vandaar de naam en de foto die dit goed laat zien.
De larve is een traag bewegend, slakachtig dier. Lengte: 4½ tot 6 mm.
Voedsel: O.a. het blad van Sint-Janskruid. Actief van mei tot september.
Biotoop: De omgeving van de voedselplant.
De meeste bladhaantjes overwinteren als volwassen dier en houden een soort winterslaap.

Puntbijvlieg (Eristalis Interruptus = Eristalis Nemorum)
Foto van Roger LindenFoto van Roger LindenBeide foto's vertonen geen bij maar een zweefvlieg. Bij zweefvliegen valt vooral hun zweefvlucht op: de mannetjes staan stil in de lucht in hun territorium, vaak hoog boven onze hoofd. Ook zien we ze wel kort voor een bloem zweven. Een groot aantal zweefvliegen doen bijen na: ze zijn vaak donkerbruin met lichtbruine tot oranjegele vlekken. Sommige lijken zelfs heel erg op echte bijen, maar ze verraden zich door hun mooiere vlucht, grotere vleugels en plattere lijf. Als je er even op let, dan zie je het verschil vrij snel.
Opvallend bij zweefvliegen is ook het verschil tussen de geslachten. Hoewel dit bij zulke kleine beestjes niet direct opvalt is dat verschil toch behoorlijk groot. In de meeste gevallen raken de ogen bij de mannetjes elkaar boven op de kop, terwijl bij de vrouwtjes er altijd ruimte tussen beide ogen is. Het vlekkenpatroon op het achterlijf is bij de vrouwtjes vaak gereduceerd of zelfs afwezig. Bij veel kleine soorten is het achterlijf van het vrouwtje veel breder dan bij het mannetje.
Zo te zien hebben we hierboven dus met een vrouwtje van doen.

Scathophaga stercoraria
Foto van Roger LindenMet deze indrukwekkende Latijnse soortnaam hebben we in gewoon Nederlands te maken de Gele Strontvlieg. Deze foto is gemaakt van het vrouwtje dat er groenig uitziet. Met al die Galloways en hun uitwerpselen op het terrein is het natuurlijk wel logisch dat dit beestje voorkomt, want de eitjes worden in de verse koeienstront gelegd. De volwassen vliegen bezoeken vaak bloemen om nectar te zuigen, maar ze vangen ook wel andere insecten die worden leeggezogen. De eitjes zijn voorzien van zijvleugeltjes, zodat ze niet meteen in de verse koeievlaaien verdwijnen. De larven leven van en in de mest. Heel veel vliegen die tot de familie van de strontvliegen behoren leggen hun eitjes helemaal niet in stront, maar mineren bladeren of jagen op andere insectenlarven. Opvallend aan de strontvliegen zijn de voor vliegen erg kleine oogjes. Dat al dat gebanjer in de stront ongezond is blijkt ook hier. Want hoewel meer vliegensoorten getroffen worden door ziektes, is dat bij de Gele Strontvlieg nogal vaak het geval. De dieren lijden soms aan een ziekte die wordt veroorzaakt door een schimmel genaamd Entomophaga. Deze groeit tussen de segmenten in. Als het diertje bijna helemaal door de schimmel is opgeteerd, zorgt deze ervoor dat de vlieg bovenin een grashalm klimt. Daar sterft de vlieg en laat de schimmel zijn sporen los. Informatie overgenomen van: http://www.gardensafari.net/dutch/overige_vliegen.htm#strontvliegen.

Rietkruisspin (Larinioides Cornutus)
Foto van Roger LindenDe Rietkruisspin is een zeer typisch getekende wielwebspin. Men treft ze zeer vaak bij water aan en ze komt in heel Europa van Noord Afrika tot in Groenland voor. In gebieden met rietkragen vindt men hun netten vaak zeer dicht bij elkaar hangen. Het rijpe vrouwtje bereikt een lichaamsgrootte van 15 mm, het mannetje komt daarentegen niet verder dan slechts 8 mm. Het voorste lichaamsdeel is grijskleurig en het achterlijf meer wit. Op dit achterlijf bevindt zich een wigvormig patroon. Dit patroon is bijna zwart van kleur en wordt alleen in het midden door een veel lichtere kleur onderbroken. Soms kan dit lichte gedeelte ook rood ingekleurd zijn.
Gedurende de paartijd leeft het mannetje samen met het vrouwtje. De paring zelf vindt op een specifieke paringsdraad plaats. In de herfst en in het voorjaar is de paringstijd en daarbij blijft het paar van de herfst tot het voorjaar bij elkaar. Maar soms wordt het mannetje na de paring door het vrouwtje opgegeten. In de beginnende zomer worden vervolgens de eitjes afgezet. Het vrouwtje maakt daarvoor eicocons van gele draadwol. De eitjes worden meestal in een schuilhoekje verstopt.
Zoals ook vele andere spinnen eet de Rietkruisspin regelmatig haar eigen web op en spint het daarna opnieuw. Dit gebeurt elke twee, drie dagen tegen de avond om het net voortdurend op orde te houden. Daarbij bouwt ze een net met een gering aantal stralen (minder als 20). Voor de jacht loert de Rietkruisspin vanuit haar schuilplaats en kan dan bliksemssnel te voorschijn schieten om haar slachtoffer te overweldigen.
De Rietkruisspin kan overwinteren en overleeft daarbij ook zware vorst en om die reden vindt men het hele jaar door volwassen spinnen. Voor de overwintering bouwt ze een dichte schuilplaats van meestal afgestorven plantenresten.
De Rietkruisspin is vaak moeilijk te ontdekken omdat ze vooral 's nachts actief is en zich overdag meestal verstopt. Ze laat zich alleen zien als zich buit in haar net verstrikt.

Pantserjuffers
Foto van Roger LindenFoto van Roger LindenPantserjuffers (volgens het Libellennet) ofwel Lestidae zijn forse juffers met een metallic gekleurd lichaam. In tegenstelling tot andere juffers worden de vleugels in rust meestal half gespreid gehouden. Winterjuffers (genus Sympecma) wijken hiervan af. Winterjuffers zijn onopvallend bruin met brons gekleurd en houden hun vleugels in rust aan een kant van het achterlijf tegen elkaar aan gevouwen.
Pantserjuffers zijn vaak langs de waterkant te vinden, tussen grassen, zeggen of russen. Het genus Lestes is droogtetolerant en komt vaak voor bij vennen en plassen die in de zomer geheel of gedeeltelijk droogvallen. Winterjuffers (Sympecma) zijn de enige libellen in Nederland die de winter doorbrengen als imago, in plaats van larve of ei. Ze verschuilen zich dan op beschutte plaatsen in de vegetatie, vaak ver van het water. Eitjes worden in tandempositie afgezet, in water- of oeverplanten.
Foto van Roger Linden Pantserjuffers zijn gespecialiseerd in snel opwarmende wateren die tijdelijk droogvallen. De zwervende pantserjuffer is hierin het meest gespecialiseerd, de gewone pantserjuffer het minst. Meestal wordt het voortplantingswater gekenmerkt door een dichte vegetatie van russen of biezen. Winterjuffers komen vooral voor bij schoon water met drijvend materiaal van dode riet- of lisdoddestengels.
De Gewone pantserjuffer (Lestes sponza) is de meest voorkomende. Het lichaam is grotendeels metaalgroen tot koperkleurig. Achterhoofd geheel donker. Geen duidelijke lichte schoudernaadstreep. Pterostigma’s donker gekleurd. Mannetjes: indien uitgekleurd met blauwgrijze berijping op achterlijfspunt (segment 9, 10) en basis van het achterlijf (segment 1 en voorste deel van 2). De berijping op segment 2 is niet scherp begrensd, waardoor een vage overgang naar het glimmende achterlijf ontstaat. Vrouwtjes: legapparaat heeft ‘normale’ proporties. De top reikt ongeveer tot aan de achterrand van segment 10 (aanhangsels niet meerekenen). Zijlobben van het halsschild geheel licht gekleurd, zonder donkere tekening.
Vliegtijd van half mei tot half oktober, hoogste dichtheid in juli en augustus. Net als andere pantserjuffers is de soort vaak te vinden in kniehoge vegetatie van bijvoorbeeld pijpenstrootje of pitrus. Eitjes worden boven de waterspiegel afgezet op moeras- en oeverplanten, meestal in levend materiaal. Op de foto's is te zien dat pantserjuffers het doen in een zogenaamd paringswiel.

Veelkleurig Aziatisch Lieveheersbeestje
Foto van Roger LindenWij wisten niet dat er zoveel soorten lieveheersbeestjes zijn en het kostte dan ook de nodige moeite om de naam van dit exemplaar te achterhalen op internet. Bovendien bleek dat we met iets heel bijzonders te maken hebben.
In 2003 is op een aantal plaatsen in Nederland voor het eerst het veelkleurig Aziatisch lieveheersbeestje [Harmonia axyridis (Pallas)] buiten aangetroffen. Deze uitheemse soort is in het verleden als biologische bestrijder uitgezet tegen bladluizen in land- en tuinbouw en openbaar groen. Recent heeft zij zich in België en Duitsland, en nu ook in Nederland, gevestigd. In 2004 is deze soort ook waargenomen in Noord-Frankrijk, Luxemburg en Engeland. In Nederland is Harmonia axyridis tot nu toe vooral uit het zuiden en midden van Nederland waargenomen. Zij is nog niet overal gesignaleerd, maar de verwachting is dat zij spoedig ook elders in ons land te vinden zal zijn.
Herkenning: Harmonia axyridis, het veelkleurig Aziatisch lieveheersbeestje, is een vrij grote soort (6- 8 mm ) en kent, zoals de naam al aangeeft, een veelheid aan verschijningsvormen in kleur en aantal en plaatsing van de stippen. De vleugelschilden variëren in kleur van oranje-rood tot bijna geheel zwart. De meest voorkomende vormen zijn rood met zwarte stippen (variërend van 0 tot 19) en zwart met (2-4) rode stippen zie foto: Harmonia axyridis spectabilis. Karakteristiek zijn ook de vijf zwarte vlekjes in de vorm van een "M" (soms onderbroken) op het halsschild en een plooi op het achtereinde van de dekschilden. De combinatie van grootte, halsschild en plooi geeft goede aanknopingspunten.
Bovenstaande informatie is overgenomen van de heer A.J.M. Loomans, die waarnemingen rond dit lieveheersbeerstje inzamelt

Kruisspin ?
Foto bovenzijde van Roger LindenFoto onderzijde van Roger LindenDe kruisspin (Araneus diadematus), is een - als de spin op de foto's er een is - in Nederland en België algemeen voorkomende spinnensoort.
De spin komt voor op beschutte plaatsen. Het meest komt het dier voor in tuinen, omdat daar veel schaduw is, weinig wind en ze er makkelijk een web kunnen maken. Grotere exemplaren zijn altijd vrouwtjes; mannetjes blijven beduidend kleiner. Met het web waarin de spin gewoonlijk ondersteboven in het centrum zit te wachten wordt het voedsel gevangen. De kruisspin vangt vooral vliegende insecten en maakt zijn web op wat grotere hoogte, andere soorten spinnen maken het web dicht bij de grond en eten liefst sprinkhanen. Het web wordt dagelijks opnieuw gesponnen, dit duurt ca 20 minuten. Het is een wielweb waarbij het centrum zich iets boven het midden bevindt met een grote mate van symmetrie. Vliegt er een prooi in het web dan wordt deze vaak eerst ingesponnen tot een pakketje en later pas uitgezogen.
De kruisspin is een vrij grote spin met vlekkenpatronen op de rug in de vorm van een kruis. De kleur van het dier is zeer variabel, en varieert van vaalgeel tot donkerbruin. De lengte is ongeveer 11 tot 18 millimeter.
Voor de paring laten mannetjes door trillingen van het web van een vrouwtje weten dat hij geen prooi is, en na de paring wordt de vader niet zelden opgegeten. De eicocons worden in herfst afgezet en overwinteren; in de lente komen de jonge spinnetjes tevoorschijn en verspreiden zich.

Citroen lieveheersbeestje ofwel Thea vigintiduopunctata
Foto van Roger LindenDit lieveheersbeestje is eenvoudig te herkennen aan heldergele kleur en de 22 zwarte vlekjes op de dekschilden. Overwintert, net als alle andere lieveheersbeestjes, als volwassen dier, maar verschijnt wat later in het seizoen. De eerste dieren kunnen, vooral bij eiken maar ook andere planten en bomen, pas in mei worden gezien.
Zowel de larven als het volwassen dier van het Citroenlieveheersbeestje eten geen bladluizen maar meeldauwschimmels.
Ze houden zich bij gevaar dood, zoals alle lieveheersbeestjes, door hun poten en voelers in te trekken. ter verdediging scheiden ze een stinkend en onsmakelijk, oranjekleurig vocht uit de kniegewrichten uit.
Voortplanting via larve- en popstadium. De kevers overwinteren in bladstrooisel op de grond of in oud gras.

Roofvlieg met Lantaarntje
Foto van Michel SchepersDeze Roofvlieg (waarschijnlijk de Machimus atricapillus) is onopvallend bruin tot bruingrijs. Het is een roofvlieg die te vinden is op stammen, paaltjes, bladeren en takjes, vaak in de buurt van de grond. Vaak zijn ze in een zonhouding te zien: ze keren hun zijkant naar de zon en kantelen die ook naar de zon toe. Zo warmen ze goed op om daarna aan de jacht te beginnen. De soort behoort tot het lastig te determineren genus Machimus, waar het de algemeenste vertegenwoordiger in Nederland van is. De vlieg loert vanaf de grond of planten op voorbij vliegende prooidieren, grijpt ze in de lucht met zijn poten en kan met de krachtige monddelen zelfs harde kevervleugels kraken. Het speeksel bevat gif en enzymen die de vertering bevorderen; zuigt de voorverteerde prooi op (zie foto).
Lantaarntje
Het lantaarntje op de foto is dus deze keer het slachtoffer. Dit is een vrij kleine waterjuffer; onderscheidt zich van alle andere waterjuffers doordat de rugzijde vrijwel helemaal zwart is. Alleen het op twee na laatste segment van het achterlijf is helder blauw gekleurd als een oplichtend lantaarntje. De twee aangrenzende segmenten zijn blauw aan de onderzijde. Grootte: 3.0 - 3.4 cm lengte. deze juffer komt voor in vrijwel alle typen wateren, het Lantaarntje is in Nederland de meest talrijke waterjuffer. Het is een zomersoort, eerste verschijning vanaf eind april/begin mei.
De paring kan uren duren. De mannetjes zijn in staat het sperma van eventuele voorgaande concurrenten te verwijderen. Het vrouwtje zet de eitjes vervolgens af in waterplanten en begeeft zich daarbij soms helemaal onder water.

Krasser
Foto van Roger LindenDe Krasser (Chorthippus parallelus) is een rechtvleugelig insect uit de familie veldsprinkhanen (Acrididae), onderfamilie Gomphocerinae. De kleur is zeer variabel en kan groen, bruin, geel of zelfs paars zijn. De meeste exemplaren zijn groen, met een brede bruine streep van bovenop de kop tot over de voorvleugels. De opstaande randen van het halsschild zijn licht gebogen, het halsschild heeft een dwarsgroef. De krasser is meestal kortvleugelig, soms komen langvleugelige exemplaren voor. De vleugels van de mannetjes zijn korter dan het achterlijf, die van de vrouwtjes zijn gedegenereerd tot kleine flapjes. Op de voorvleugel is een chorthippuslobje aanwezig. Mannetjes bereiken een lengte van 13 tot 16 millimeter, de vrouwtjes zijn 18 tot 22 mm lang.
De krasser komt voor in grote delen van Europa en is een van de noordelijkst voorkomende soorten die gevonden wordt tot in Denemarken en geheel Groot-Brittannië. Ook in Nederland en België komt de krasser voor en is in België algemeen, in Nederland is de krasser vooral op zandgronden in het zuiden en oosten te vinden.
De krasser is als volwassen insect te zien van juli tot september en is vooral actief tussen negen uur in de ochtend tot zeven uur in de avond. De zang bestaat uit een krassend geluid dat ongeveer 1,5 seconden aanhoudt en wordt herhaald.
Informatie is overgenomen van http://flickriver.com/photos/annesch/4977509446/ .

Kleine rode weekschildkever
Foto van Roger LindenDit zijn (Rhagonycha fulva) zonder twijfel de meest algemene van de soldaatjes of weekschildkevers. Gemakkelijk te herkennen aan de dekschilden die grotendeels donkerrood zijn, maar zwart eindigen. De dieren vind je vooral op schermbloemigen, zoals fluitenkruid en berenklauw e.d., waar ze massaal urenlang paren (zie foto). Ze staan ze er zelfs nog meer dan de andere om bekend dat ze daar langdurig mee bezig zijn. Ze likken nectar op en loeren op insecten.
Goede onweersvoorspellers. Al uren voordat het gaat onweren verhuizen alle dieren van de bovenkant van bloemen en bladeren naar de onderkant.
Deze keversoort is in verhouding langer en heeft een zachter schild dan de meeste kevers. Ook dit soort heeft zijn vleugels onder de dekschilden. Het kevertje wordt niet groter dan zo'n 11 mm. De larven zijn zelfs in de winter te zien. Hoofdzakelijk doen ze zich te goed aan slakjes en andere larven.

Oeverlibel
OeverlibelFoto van Roger LindenDe gewone oeverlibel (Orthetrum cancellatum) is een echte libel uit de familie van de korenbouten (Libellulidae).
De lengte is 30 tot 35 millimeter, de spanwijdte is 70 tot 80 mm. Mannetjes zijn blauw gekleurd met een zwarte achterlijfspunt en bruine beharing op het borststuk. Vrouwtjes zijn bruin met zwart met lichtere zijkanten van de flanken, jongere vrouwtjes zijn meer geel van kleur en worden later bruin.
De gewone oeverlibel komt in grote delen van Europa voor en is soms talrijk. In Nederland is de soort niet zo algemeen en komt voornamelijk voor langs rivieren en in gebieden met laagveen. Het habitat bestaat uit stilstaande of zwak stromende wateren, zowel met veel waterplanten als grotere meren met weinig vegetatie. De ondergrond dient liefst kaal te zijn, de waterbodem zanderig of kiezelig. De libel zont graag op stenen bij het water, de paring vindt wel eens op de grond plaats, veel andere soorten doen dit in bomen of al vliegend boven het water. De libel is te zien van mei tot september.
Vers uitgeslopen, jeugdige libellen trekken weg bij de waterkant, en zoeken beschutte plaatsen op in de wei, langs bosranden en bospaden om te foerageren en te rusten. De mannetjes, geslachtsrijp, keren terug naar het water. Ze bewaken hun territorium vanaf open stukjes oever, drijfhout e.d. Ze zitten graag op vlonders, betonnen kanten, op zandbultjes. Volwassen mannetjes vliegen snel en laag boven het water, maar meestal vlakbij de oever. Zonligging bepaalt zitplaats- en territoriumkeuze. Geslachtsrijpe vrouwtjes komen pas naar de oever voor paring en ei-afzet. De paring (zie foto) begint in de lucht, paringswiel eindigt zittend op een kaal stukje grond, en dat duurt een kwartiertje. Vrouwtje zet eieren af door met haar achterlijf op de waterspiegel te slaan,terwijl mannetje haar rondvliegend bewaakt. De kleverige eieren worden los op het water afgezet, vaak in de buurt van algen of waterplanten, soms ook op vochtig zand. De eieren komen na een week of zes uit. De larven leven op de bodem van het water in de modder en tussen plantenresten. Meestal in ondiep, snel opwarmend water. De levenscyclus duurt twee tot drie jaar, een groot deel daarvan vindt plaats in het water. Meestal vindt uitsluiping plaats in grote groepen, op oeverplanten, tot 3 decimeter hoog. Maar er zijn waarnemingen van gevondenhuidjes ver van de waterkant en zelfs op 17 meter hoogte. Van begin mei tot begin augustus sluipen de meeste uit, met een piek in begin juni. Een mannetje is binnen tien dagen geslachtsrijp, en leeft daarna nog maximaal een maand. Een vrouwtje is na tien tot twintig dagen geslachtsrijp.

Sabelsprinkhaan
SabelsprinkhaanOverwegend groen, op de rug bruin; poten kunnen soms gelig van kleur zijn, maar zelden zijn de dieren helmaal geel. Zeer lange vleugels reiken verder dan de knie van de achterpoot. Vrouwtje met lange legboor, die bij volwassen dieren tot aan de vleugelpunten reikt. Heeft zich aan allerlei leefomgevingen aangepast en komt zowel in natuurgebieden als in tuinen, parken en gevelbegroeiingen voor tot midden in de stad. De grote, groene sabelsprinkhaan voedt zich overwegend met andere insecten, zoals rupsen, bladluizen, andere sprinkhanen en in het zuiden van Europa zelfs met zangcicaden. De soort kan dus zeer grote prooien aan, maar voedt zich ook met vruchten en bladknoppen. Voor de tuinliefhebber is het eerder een nuttig dan een schadelijk insect. De soort is overdag en 's nachts actief. Vanaf de middag tot diep in de nacht laat het mannetje zijn ver dragende stridulaties horen. Afhankelijk van het weer is zijn geluid in midden-juli tot diep in oktober en soms in november nog te beluisteren. De mannetjes sjirpen vaak dagenlang op dezelfde plaats, vanuit dezelfde boom of struik, en ze zijn dus opvallend honkvast, ondanks dat ze goed kunnen vliegen en ver kunnen springen. Ze kiezen bovendien in de loop van de nacht een steeds hogere positie om te sjirpen.

Muskusbok
MuskusbokMuskusbok macroIn 2004 hebben we dit insect (20-34 mm. zonder de voelsprieten mee te tellen) twee maal waargenomen. Ook in 2006 zagen we hem weer.Je vind deze prachtige, blauwgroene boktor met heel lange sprieten ’s zomers vooral op wilgen langs het water. Ze verspreiden een bijzondere geur die aan muskus of aan rozenolie doet denken. Ze leven daarop van uittredend bastsap. De soort is in zijn hele ontwikkeling aan wilgen gebonden. De larven leven in het hout van wilgen; bij sterke aantasting kan de boom er zelfs aan sterven. Ook de verpopping vindt in het hout plaats. Slecht bij hoge uitzondering ontwikkelen de larven zich in het hout van populieren of elzen. Andere benamingen zijn wilgenboktor of rozenboktor.