Kruiden bij de Isabellagriend                                    Terug naar de overzichtspagina Natuur Isabellagriend

Deze pagina met kruiden rond en bij de waterplas de Isabellagriend (Noordplasje) te Ool is samengesteld door Fred Fouarge, Jan Heesen en Theo Vervoort. Indien zij aanwezig zijn op het naaktstrand geven zij u graag meer informatie of helpen u bij het leren kennen van deze kruiden.
U treft de kruiden aan in alfabetische volgorde met hun Latijnse naamgeving en daarachter de Nederlandse naam. Van elk kruid zijn voor zover bekend enige gegevens vermeld, zoals de familienaam en wijze van gebruik in de loop der tijden. Voor zover mogelijk is verder een gewone foto en een macro-opname van de bloem bijgevoegd. Tezijnertijd komt er nog een zoekindex.
U kunt ook een bijdrage leveren aan deze pagina door ons te helpen bij de naamgeving en gegevens van wel gefotografeerde maar nog niet van een naam voorziene kruiden. Uiteraard staan wij ook open voor alle andere verbeteringen in de gegevens en ook voor die van nog niet vermelde kruiden. Stuur een berichtje naar info@naturisme-isabellagriend.nl. Ga overigens goed met de natuur om.

tr>
Gegevens plant

Foto van plant

Macro-opname bloem

Achemilla vulgaris; Vrouwenmantel.
(Rozenfamilie)
Geel-groene bloemen in pluimvormige schermen. Bevat veel looi- en bitterstoffen die gunstig werken tegen nierstenen en voor de reiniging van wonden en zweren. De bladeren worden ook nu nog gebruikt voor thee en medicamenten. De dauwdruppeltjes op de plant werden in de middeleeuwen beschouwd als noodzakelijke grondstof bij de vervaardiging van de 'steen der wijzen'. Daar komt alchimilla ook vandaan.




Achillea millefolium; Duizendblad.
(Compositenfamilie)
De plant komt voor op voedselrijke, verstoorde grond en op braakliggende terreinen. De plant kan goed tegen droogte. De plant komt algemeen voor in Europa en Noord-Amerika en heeft een kenmerkende geur. De plant wordt 15Ė50 cm hoog en vormt ondergronds wortelstokken voor vegetatieve verspreiding. Het duizendblad bloeit van juni tot november met wit tot roze bloempjes. De planten met roze bloempjes worden ook in de siertuin gebruikt. Soms komen planten met rode bloempjes ook in het wild voor. De bloeiwijze bestaat uit een schermvormige tros. De etherische oliŽn verzachten darmkramp en buikpijn en werken ontstekingsremmend, zo hebben de aanwezige flavonoÔden een antibiotische werking, werkt het salicylzuur pijnstillend en het kalium en sesquiterpenen gaan beide oedeemvorming tegen. Daarnaast hebben de groene bladeren een bloedstelpend effect en werden voor de behandeling van wonden gebruikt. Interessant is ook het gehalte aan fluorescerende stoffen.




Achillea ptarmica; Bertram, wilde.
(Composietenfamilie)
Witte bloem. De plant komt voor op natte grond aan waterkanten, in nat grasland en op moerasachtige grond. De grote verspreiding van deze plant heeft te maken met het vroegere veelvuldige gebruik als sier- en geneeskrachtige plant. De wortels en de bloemen werden vooral in de volksgeneeskunde gebruikt. Het tot poeder gemalen droge blad wordt als niespoeder gebruikt, waaraan de plant zijn Engelse naam sneezewort (nieskruid) te danken heeft. De bitterstoffen in de plant helpen tegen kiespijn. De bloemen kunnen zowel vers als gedroogd in gerechten verwerkt worden en hebben een peperachtige smaak.




Agrimonia eupatoria;Gewone agrimonie.
(Rozenfamilie)
Deze plant met zijn helgele bloemen in lange, slanke aren is vrij algemeen op kalkrijke bermen en dijken in BelgiŽ en Nederland. De plant ruikt zwak naar terpetijn en wordt daarom door het vee gemeden. Geneeskrachtige plant als thee. Vooral tegen lever- en nierkwalen. Redenaars en zangers zouden nog welluidender klinken wanneer ze met de thee van Agrimonie gorgelen. De meest waarschijnlijk herkomst van de naam 'Agrimonie' is het Griekse Argemone, letterlijk vertaald 'vlek op het oog', waarmee planten werden aangeduid die heilzaam waren voor de ogen. De soortnaam eupatoria zou verwijzen naar Mithridates VI Eupator, een Pontische koning berucht om zijn kruidenkennis.




Allium Ursinum; daslook .
(Lookfamilie )
Het is een vrij zeldzame soort in BelgiŽ en Nederland. De soort is in Nederland wettelijk beschermd. De soortaanduiding ursinum (= van de beren, Ursus = beer) is ontstaan door het oude bijgeloof dat beren na hun winterslaap zich eerst aan deze plant tegoed deden. Dit is er ook de oorzaak dat de plant af en toe ook berelook wordt genoemd. De naam daslook kan afgeleid zijn van dassen, die vroeger onder deze planten hun hol hadden. De ovale bladeren zijn 3-5 cm breed, donkergroen en parallelnervig. De zuiver witte bloemen hebben zes witte bloemdekbladen en zijn in losse bolvormige schermen gegroepeerd. De plant bloeit van april tot juni. De plant groeit bij voorkeur in schaduwrijke loofbossen met een humusrijke, vochtige, kalkhoudende ondergrond, zoals in de hellingbossen in het Mergelland van Zuid-Limburg. Op ons terrein breidt ze zich de laatste jaren uit. De plant werd reeds in 1608 door de Vlaamse botanicus Dodonaeus beschreven in zijn Cruydeboeck. Als de plant nog niet bloeit kunnen de bladen rauw fijngehakt gebruikt worden in salades en in soepen. Ze hebben een bieslook-, uien- of knoflooksmaak.




Anagallis arvensis;Guichelheil.
(Sleutelbloemfamilie)
De soorten zijn klein en hebben helderrode of blauwe bloemen, die bloeien van mei tot de herfst. De bloemen van guichelheil gaan uitsluitend open als de zon schijnt. Guichel is een afgeleide vorm van het niet meer gebruikte woord guich dat gekheid betekent. Heil betekent genezing. Guichelheil zou genezing van gekheid bevorderen en de plant werd daarom vroeger gebruikt als geneesmiddel tegen wat we nu zenuwziekten zouden noemen. Guichelheil heeft een vrij vochtige grond nodig om goed te groeien, het liefst op kalkrijke bodem.




Anchusa officinalis; Gewone ossetong.
(Ruwbladigen)
Lila bloemen. De beharing van de plant kan de huid irriteren en uitslag veroorzaken.




Anthemis arvensis; Valse kamille.
(Compositenfamilie)
Nagenoeg idem als Echte Kamille, maar grotere bloemen. De soort is een vrij algemeen voorkomende plant. Het geslacht schubkamille onderscheidt zich van het geslacht kamille (Matricaria), doordat bij schubkamille stroschubjes in het bloemhoofdje voorkomen. Dit zijn de vliesjes die zich tussen de verschillende buisbloempjes bevinden. De valse kamille heeft een zwakke geur in tegenstelling tot de stinkende kamille (Anthemis cotula). De plant is eenjarig, kan 30-60 cm hoog worden en bloeit van juni tot eind september. De bloem heeft een witte stralenkrans van lintbloemen. Is echter niet als thee te gebruiken.




Anthriscus silvestris; Fluitenkruid
(Schermbloemfamilie)
Tweejarige plant 50-150 cm. Witte bloemschermen. Van de stengel kan een fluit worden gemaakt; vandaar de naam. Plant wordt beschouwd als een indicator van stikstof. In Nederland aan dijken en in bossen veel voorkomende plant. De plant bevat veel etherische olie. Deze werkt zwak urine afdrijvend en prikkelend op de stofwisseling en samentrekkend op de baarmoeder. Alle plantendelen geuren anijsachtig zoet.




Anthyllis vulneraria; Wondklaver.
(Vlinderbloemfamilie)
Het is een erg variabele soort: soms kruipt hij, soms groeit hij rechtop. De plant is bedekt met zilverkleurige haartjes. Gele bloem, maar niet altijd. Het woord 'wond-' in de naam geeft aan dat de plant in de volksgeneeskunde gebruikt werd om wonden te genezen. Gebruikt voor omslagen op vele slecht genezende wonden. Eens gold de wondklaver als 'toverplant'die mens en dier voor hekserij behoedde, vooropgesteld dat ze in de Johannisnacht tegelijk met het duizendguldenkruid geplukt werd.....




Artemisia vulgaris; Bijvoet.
(Compositenfamilie)
Geelachtige bloemen. Specerijplant (blad en zaden) voor bij vlees, gans en in soepen. Als thee tegen darmparasieten. Het kruid is ook goed voor de voeten bij lange wandelingen; in de schoen doen. De wortel diende als middel tegen hysterie. Bijvoet doet het goed als kruid in vlees- en vogel(gans)gerechten en in soepen




Aster lanceolatus; smalle herfstaster.
(Composietenfamilie)
Aster betekent "ster", vanwege de stervormige bloemhoofdjes. Lanceolatus is "lancetvormig". De smalle aster lijkt sterk op Kleine aster (Aster tradescantii). Het onderscheiden van deze en andere verwilderde Asters is vaak erg moeilijk. Ruigten, langs spoorwegen (spoorbermen), waterkanten (sloten, rivierkribben en ruigten langs rivieren en kanalen), ruderale plaatsen en braakliggende grond in steden.




Barbarea vulgaris; Barbarakruid.
(Kruisbloemenfamilie)
De plant is vernoemd naar Barbara van NicomediŽ. De soort groeit het liefst op zonnige tot licht beschaduwde, open plaatsen op vochtige, matig voedselrijke tot voedselrijke grond zoals in bermen, langs oevers, in heggen, in de duinen, in grasland en langs spoorwegen. De plant is in Nederland vrij algemeen terug te vinden. De bladeren zijn eetbaar en te verwerken in sla. Het kruid heeft, naast 'Barbarakruid' nog een aantal Nederlandse namen zoals steenkers, winterkers en moerasraket. .




Bellis perennis ; Madeliefje.
(Composietenfamilie)
De naam Bellis perennis betekent eeuwige schoonheid. De bladeren staan allemaal in een wortelrozet en zijn spatelvormig. De rand van het blad is gekarteld. Zolang het niet vriest, is het madeliefje het hele jaar in bloei aan te treffen. Aan het einde van de bloemstengel staat ťťn bloemhoofdje. Dit wordt tot 2,5 cm groot en bestaat uit een hart van gele buisbloemen, met een krans van witte straalbloemen. Het madeliefje geldt als symbool van de godin Iötar en komt als zodanig veelvuldig voor op de Iötarpoort, een oude stadspoort van Babylon uit 575 v.Chr.. In Keltische sagen wordt de bloem de magische eigenschap toegedacht dat deze het groeiproces kan stilleggen. De fee Milka zou de zoon van de koning stiekem madeliefjes te eten hebben gegeven, waardoor hij nooit volwassen zou worden. Het geldt in de christelijke traditie als symbool voor maagdelijkheid en daarmee samenhangend voor Maria. De bloem werd ook bekend doordat zij werd opgenomen in het wapen van Lodewijk IX van Frankrijk, tezamen met de lelie. In het voorjaar kunnen de jonge blaadjes worden geplukt om verwerkt te worden in een salade. De bloemen kunnen ook worden gegeten. Bloemen die nog in de knop zitten of slechts gedeeltelijk zijn geopend, smaken nootachtig. Een geheel geopende bloem smaakt ietwat bitter. In de homeopathie wordt het madeliefje gebruikt om problemen met de huid te behandelen, zoals huidontstekingen met jeuk en eczeem.




Borago officinalis; Bernagiekruid.
(Ruwbladigenfamilie)
De bernagie (Borago officinalis), ook vaak komkommerkruid genoemd, is een gemakkelijk herkenbare, ruwharige, eenjarige plant met blauwe bloemen. De plant wordt 45-90 cm hoog. De dikke stengels zijn vertakt en hol. De bladeren zijn 7-20 cm lang en puntig ovaal van vorm. De onderste bladeren zijn meer eirond en gesteeld, de bovenste meer langwerpig en stengelomvattend. Een aftreksel kan enkele malen per dag als thee worden gedronken tegen reuma, nierontstekingen, ter bevordering van urine-afdrijving, en tegen borst- en slijmvliesontstekingen. Dosering: twee eetlepels bloemen met 1 liter water, even koken en laten trekken. De werking is twijfelachtig. In wijn zouden de bloembladen helpen tegen neerslachtigheid. Reeds bij de Grieken stond de plant om zijn opbeurende werking bekend. De bernagie bevat kleine hoeveelheden toxische pyrrolizidine alkaloÔden die kanker kunnen veroorzaken en toxisch zijn voor de lever.




Centaurium erythraea ;Duizendguldenkruid.
(Kruidachtige, een of tweejarige planten uit de gentiaanfamilie)
De soorten worden tot 50 cm hoog. De grondbladeren vormen bij veel soorten een rozet. De gaafrandige bladeren aan de holle stengel zijn steeds kruislings tegenoverstaand. De zacht tot stevig roze gekleurde bloemen zijn los trosvormig gegroepeerd. De voornaamste bloeiperiode loopt van juni tot september. De uit vijf kroonblaadjes samengestelde bloemen openen zich bij zonneschijn. Duizendguldenkruid komt overwegend op zonnige, vochtige plaatsen voor, in duinen, bosranden en weiden. Vroeger werd het kruid gebruikt als middel tegen maag- en leverkwalen. Volgens oud volksgeloof zou het kruid bescherming bieden tegen boze geesten. Ook zou het dragen van het kruid in de beurs, zorgen dat deze nooit leeg geraakte.




Centaurea jacea; Echt knoopkruid.
(Compositenfamilie)
Purper-roze bloemen. De plant bloeit van juni tot september en is in Nederland vrij algemeen De soort is variabel en vormenrijk. De omwindselbladen hebben een bruin tot bijna zwart aanhangsel, dat door een vernauwing van de rest van het omwindselblad is afgescheiden. Het kan gaafrandig, onregelmatig ingescheurd of diep en regelmatig kamvormig ingesneden zijn. Een absolute topper bij vlinders! Heet knoopkruid is familie van de korenbloem.




Cerastium arvense; Akkerhoornbloem.
(Anjerfamilie)
Wit bloemetje. De kroonbladen van de witte, klokvormige bloemen zijn over een derde van de lengte met elkaar vergroeid. De witte bloemen zijn klokvormig, hebben een behaarde kelk en vormen van vijf tot vijftien bloemige schermen. De plant wordt wel eens verward met grote muur. Deze plant gedijt het best op voedselarme (oligotrofe) grond. Door de bemesting van haar landbouwgronden wordt ook de grond langs landwegen verrijkt. De akkerhoornbloem legt het dan af tegen soorten die in dit milieu succesrijker zijn. Wanneer de plant op iets minder voedselarme grond voorkomt, zijn de bladen vaak niet grijs of grijsgroen, maar overwegend donkergroen. Cerastium komt van het Griekse ceras dat "hoorn" betekent, vanwege de als een hoorn uit de kelk stekende vrucht. Arvense betekent "op akkers groeiend". De Nederlandse naam Akkerhoornbloem is een onjuiste naam. De plant is namelijk niet in akkers te vinden. De soortaanduiding arvense kan echter behalve op bouwland namelijk ook op grasland betrekking hebben.




Cirsium Arvensis ;Akkerdistel.
(Compositenfamilie )
De akkerdistel (Cirsium arvense) is de in Nederland meest voorkomende vederdistel. De soortaanduiding arvense betekent akker. De Nederlandstalige naam komt dus overeen met de botanische naam. De stengel van deze 60-120 cm hoge plant is niet of nauwelijks gevleugeld, en niet sterk vertakt. De stengel is in het bovenste deel niet gevleugeld. De plant heeft meestal meer dan vier bloemhoofdjes. De stengel groeit vanuit een wortelstok. De aan de bovenzijde donkergroene bladeren kunnen aan de onderzijde zilverig wit zijn. Aan de bovenzijde zijn ze kaal en glanzend.[1] De lancetvormige bladeren zijn gestekeld, en of veerspletig en gekroesd, of plat en ongedeeld. De bloemhoofdjes zijn langgesteeld in schermvormige pluimen, al is het schermvormige hiervan niet altijd even goed te herkennen. De bloemhoofdjes bloeien in een lichtpaarse, soms bijna witte kleur van juni tot en met september.De plant wordt vanwege de aanwezige nectar door de honingbij, de kortsprietwespbij (Nomada fucata), de gewone koekoekshommel (Psithyrus campestris) en de aardhommel (Bombus terrestris) bezocht. Hiernaast bieden de lastig toegankelijke distelhaarden broedplaatsen aan meerdere vogelsoorten, onder meer putter, vink en veldleeuwerik.




Crataegus monogyna; meidoorn.
(Rozenfamilie )
Het geslacht wordt ook wel haagdoorn of steendoorn genoemd. Het zijn struiken die van nature in Europa, Noord-Amerika, AziŽ en Noord-Afrika voorkomen. Sommige soorten komen ook als boom voor. De meidoorn werd vanwege de doornen op de takken veel gebruikt in hagen. Het hout is hard en fijn van structuur. De eenstijlige meidoorn kan een tot 10 m hoge boom worden, terwijl de tweestijlige meidoorn een struik is die tot 4,5 m hoog wordt. Ze bloeien in mei/juni met sterk geurende bloemen. Op de takken zitten doornen. Meidoorn wordt al sinds de 16e eeuw gebruikt om de bloedsomloop te stimuleren. Deze werking komt onder meer door de inhoudsstof rutine: deze stof is wetenschappelijk bekend om z'n vermogen om blauwe plekken te voorkomen. Bovendien helpt meidoornthee om de cholesterol te verlagen.




Daucus carota; Wilde peen.
(Schermbloemenfamilie)
Het is een tweejarige plant. De soort heeft kou nodig voordat deze kan gaan bloeien. In het tweede jaar, na de winter, gebruikt de plant de opgeslagen voedingsstoffen uit de wortel voor de verdere groei en bloei. De soort bloeit in juni tot de herfst met schermen. Het scherm bestaat uit vele stralen, waarvan de buitenste bij rijping vogelnestjesachtig naar binnen zijn gebogen. Witte bloemen met in het midden 1 tot 3 donker paars gekleurde bloemen. Als de bloem is uitgebloeid vouwen de schermen zich op en vormen een soort vogelnestje. Dit zorgt voor het rijpen van de vruchten.In de volksgeneeskunde behandelt men maag- en nieraandoeningen met de wilde peen. De plant is rijk aan caroteen en vitamine B.




Dipsacus fullonum; Grote of wilde kaardenbol.
(Kaardenbolfamilie )
In Nederland is de grote kaardebol wettelijk beschermd. De grote kaardebol komt oorspronkelijk uit Noord-Afrika (Maghreb), Voor-AziŽ en Europa, maar komt tegenwoordig overal in de gematigde streken voor. De plant is tweejarig en kan 70-150 cm hoog worden. De bladeren zijn twee aan twee tegenoverstaand en de vergrote bladvoet werkt als opvangbakje voor water. De lila bloempjes zijn klein. De kaardebol produceert veel nectar en trekt daarom veel insecten zoals solitaire bijen en hommels.
De bloemhoofdjes van de kaardebol werd in de Middeleeuwen gebruikt voor het ruwen van gevolde wollenlaken, hiertoe werden een aantal van deze kaardebollen in een kruisvormige houten houder bevestigd. Later zijn er zelfs speciale machines ontwikkeld voor het ruwen van weefsels met behulp van de kaardebol. De bloemhoofdjes werden daartoe op stalenpennen geregen. Een dergelijke machine staat nog opgesteld in het Nederlands Textielmuseum te Tilburg. Als wolkaarde is de weverskaarde nooit gebruikt. De stekels van deze zaadbol zijn daar niet sterk genoeg voor.




Epilobium hirsutum; Harig wilgenroosje.
(Teunisbloemfamilie)
Het is een 0,8-1,8 m hoge, algemeen voorkomende, vaste plan. De zachtbehaarde stengel draagt 6-12 cm lange, langwerpige bladeren. De bladeren zijn meestal tegenoverstaand, terwijl het middelste blad vaak stengelomvattend is. Ook de bladeren zijn zachtbehaard. De bloemen hebben een diameter van 1,5-2,5 cm, vier uitgerande, licht- tot donker magenta kroonbladen en een vierspletige stempel. De plant bloeit van juni tot september. De plant komt in BelgiŽ en Nederland algemeen voor op vochtige plaatsen, in ruigtes, langs slootkanten en op niet al te zware grond. De Nederlandse naam wilgenroosje dankt de plant aan het feit dat de bladen lijken op die van de wilg. Epilobium is van oorsprong een Oud-Griekse naam: epi betekent "op", lobos betekent "hauw of peul" en ion is een "viool". De zaaddoos lijkt op een hauw en de bloem lijkt op "Viola matronalis" (= Hesperis matronalis - Damastbloem), maar verschilt daarvan doordat de bloem op het vruchtbeginsel (zaaddoos) is geplaatst. Hirsutum is "ruwharig". Harig wilgeroosje is gewijd aan Sint-Antonius. In Lapland en IJsland werd er thee van getrokken. Het werd vroeger gebruikt bij darmstoornissen en om inwendige bloedingen te voorkomen of te stelpen, maar later bleek de plant giftig en darmkrampen te veroorzaken. .




Eupatorium cannabium; Koninginne- of leverkruid.
(Compositenfamilie)
Lila bloemtrossen. Er vormen zich roze bloemhoofdjes van vijf of zes buisbloemen (soms wit). Het omwindsel heeft purperen topjes. De plant bloeit als schermvormige pluim van bloemhoofdjes. De bloeitijd is van juli tot september. De bladeren zijn tegenoverstaand. De bloem produceert veel nectar en wordt door vlinders en bijen druk bezocht. Giftig. Een thee van koninginnenkruid werd vroeger gebruikt tegen verkoudheid en als laxeermiddel. In grote hoeveelheden tast hij de lever aan en kan leverkanker veroorzaken. Oorspronkelijk werd deze plant leverkruid genoemd.




Euphorbia helioscopia; Kroontjeskruid.
(Wolfsmelkfamilie)
Het is een onbehaarde plant die 10-50 cm hoog wordt. De Nederlandse naam wolfsmelk heeft te maken met het giftige melksap dat vrijkomt als de stengels doorbreekt. Het sap heeft een bijtend en branderig (met name voor huid en ogen) effect en de 'wolf' (in de betekenis van de duivel) werd gezien als de veroorzaker. De soort komt voor op bouwland of braakliggend terrein. Geelgroene bloemkronen in eindschermen. Als je kroontjeskruid opensnijdt, komt er een wit vocht uit dat helpt tegen wratten. Maar dit wordt afgeraden omdat het sap giftig is.




Euonymus europaeus ; wilde kardinaalsmuts.
(Kardinaalsmutsfamilie)
De bladverliezende plant heeft rode vruchten die de vorm hebben van een kardinaalsmuts. De vrucht is een rozerode, vier- of vijfhokkige doosvrucht, die opensplijt waarbij de vlezige, oranje zaden tevoorschijn komen. De zaden worden door vogels gegeten, die de zaden na vertering weer uitscheiden waardoor deze verspreid worden. Alle delen van de plant zijn voor mensen giftig. In BelgiŽ en Nederland komt de wilde kardinaalsmuts (Euonymus europaeus) in het wild voor. De soort komt ook voor op kalkrijke grond, onder meer in Drenthe en Limburg. Van het hout werden vroeger spoelen gemaakt voor het spinnen van textiel. De Engelstalige naam spindle tree is hiervan afgeleid. De wilde kardinaalsmuts bevat dulcitol. Voor de eters van deze struik heeft deze stof een grote aantrekkingskracht.




Filipendula ulmaria; Moerasspirea.
(Rozenfamilie)
Witte naar amandel ruikende bloemen. De bloemen vormen schermvormige trossen die bloeien van juni tot in augustus en september. De moerasspirea groeit vooral op vochtige plaatsen, zoals in ruigtes, nat grasland, bossen, slootkanten, elzenbroekbos en rietvelden. Vroeger werd de plant gebruikt als middel tegen gal- en nierziekten, maar ook tegen jicht en zenuwpijn. De bladeren en bloemen werden gedroogd om thee van te trekken die bij koorts gegeven werd. De heilzame werking wordt toegeschreven aan verschillende aspirine-achtige verbindingen zoals isosalicine, dat in de bloemkoppen te vinden is. Moerasspirea geurt geweldig lekker, en brengt ook andere kruidentheeen op smaak. De hele plant geurt lekker, ook de bladeren( maar anders dan de bloemen) en kunnen als potpourri dienen waarbij ze dan ook nog een magisch effect hebben: als je de vrede wil bewaren leg dan moerasspirea her en der in je huis. Er worden nog meer magische krachten aan moerasspirea toegeschreven zoals liefde, (vroeger werd het veel gebruikt in bruidsboeketten, daar kan het mee te maken hebben) en voorspelkunst. Bij de druÔden was moerasspirea een van de drie favoriete kruiden (de andere twee waren watermunt en ijzerhard).




Galeopsis tetrahit; Witte hennepnetel.
(Lipbloemen)
Witte (soms anderskleurig) bloemen. De bloemen zijn tweelippig. De bovenlip is gewelfd en de onderlip heeft drie slippen. De kelk heeft vijf smalle tanden. De gewone hennepnetel bloeit in schijnkransen van juli tot oktober. Het is een eenjarige 10 tot 100 cm hoge plant. Op vrij vochtige tot vrij droge, stikstofrijke grond in bossen, omgewerkte plaatsen , tussen struweel, aan waterkanten en in graanakkers. Deze plant brandt niet zoals de brandnetel en kreeg daardoor gelijkaardige namen als de dovenetel: tamme netel, damnetel. De naam hennepnetel is gegeven omdat een blad van de hennepnetel lijkt op ťťn enkel blaadje van het samengestelde blad van de hennepplant




Galium mollugo; Glad waldstro .
(Sterbladige familie)
De soort heeft ondergronds lange uitlopers. En bovengronds kan Glad walstro tussen de 30 tot 120 cm groot worden. Het ligt dan vaak over de andere planten heen. De soort heeft kransvormige bladeren, meestal zes tot acht bijeen op een knoop. De tot 2,5 cm lange bladeren zijn lijnvormig, groen van boven en van onderen en loopt uit in een stekelpuntje. Bij de top zitten stekelhaartjes op de bladrand. De stengel is vierkant of rond maar dan toch duidelijk met vier vlakken. De stengel is aan de voet zonder of met slechts een enkele niet-bloeiende tak, kaal tot behaard en zonder weerhaakjes. Soms is de stengel verdikt onder de bladkrans. De vlakke, witte bloemen hebben 4 vergroeide kroonblaadjes, zogenaamde kroonslippen, die uitlopen in een draadvormig verlengde punt of topspits van 0,2 tot 0,3 mm lang. Dit is zeer kenmerkend voor Glad walstro. Algemeen in het Zuidlimburgs district, het Renodunaal district en het Fluviatiel district; vrij algemeen in de Hafdistricten; elders vrij zeldzaam. Gebruik: Glad walstro werkt weerstand verhoogend.




Gallium verum; Geel Walstro.
(Walstrofamilie)
Gele bloemrosjes. Geel walstro is een rechtopstaande of bodembedekkende plant die 15-100 cm hoog kan worden. Doordat de ronde stengels vier ribben hebben, lijken ze vierkant. De plant vormt kransen van acht tot twaalf bladeren. Deze zijn lijnvormig en hebben een lengte van 0,6-1,2 cm. De bladranden zijn omgerold. De bovenzijde is donkergroen en glanzend; de onderzijde is bleker. De bloem is goudgeel of citroengeel en heeft een grootte van 2-4 mm. De plant bevat stremsel, dat bij de kaasbereiding gebruikt kan worden. Met de kleurstof uit de bloemen wordt Chesterkaas geelachtig-oranje gekleurd, hetgeen tevens de speciale smaak aan deze kaas geeft. In Schotland wordt de plant nog als verfstof gebruikt. Uit de wortel wordt een rode en uit de bloemen een gele verfstof gewonnen. Licht giftig.




Geranium dissectum; slipbladige ooievaarsbek.
(Ooievaarsbekfamilie )
Ze komen in gematigde tot warme streken voor, met name in zuidelijk Afrika. Er is geen exacte overeenkomst over de samenstelling van de familie, maar de familie telt circa 800 soorten, die voor het overgrote deel behoren tot de geslachten Ooievaarsbek (Geranium - 430); Pelargonium (bekend onder de volksnaam "Geranium" - 220) en Reigersbek (Erodium - 75). Bij alle planten bevindt zich aan de bovenkant van de vrucht een smalle, snavelachtige vorm. Vandaar de Nederlandse namen Ooievaarsbek en Reigersbek, maar ook de wetenschappelijke, uit het Grieks stammende namen: Geranium van geranos = kraanvogel; Pelargonium van pelargos = ooievaar en Erodium van erodios = reiger. De plant komt in zowel BelgiŽ als in Nederland in het wild voor en is redelijk algemeen. De soort is oorspronkelijk afkomstig uit het Middellandse Zeegebied. Vermoedelijk zijn de zaden met akkerzaden naar Midden-Europa meegebracht. De plant komt hier voor op voedselrijke, vochtige, open grond. Daarbij verschijnt ze niet direct in weilanden, maar wel aan akkerranden, bermen, langs slootkanten en dijken.




Humulus lupulus; Hop.
(Hennepfamilie)
De hop is een plant, die in Nederland en BelgiŽ in het wild voorkomt, en hier vroeger ook veel geteeld werd. De hopbellen (vruchtkegels) worden als conserveer- en smaakmiddel gebruikt bij de bereiding van bier. Hop is een meerjarige plant die overwintert als wortelstok. De soort komt van nature voor in het grootste deel van de gematigde- en koude zone van het noordelijk halfrond, ten noorden van de 32e breedtegraad. De plant werd al vroeg op veel plaatsen in de wereld nabij brouwerijen verbouwd. De lupulinekorreltjes uit de vruchtkegels van de vrouwelijke plant (hopbel) worden vanwege de alfazuren en de etherische oliŽn (aroma's) gebruikt als grondstof voor bier. Aanvankelijk werd hop aan bier toegevoegd als conserveringsmiddel, maar tegenwoordig wordt het uitsluitend toegevoegd om de bittere smaak en het aroma. Zeker in de Engelse bitters en in de meeste Belgische speciaalbieren is het onmisbaar, omdat in die bieren veel meer hop wordt toegevoegd dan in lagerbieren. Voorbeelden van hoppige bieren zijn Amstel 1870, Brand UP, Jopen Hoppen en Christoffel Bier in Nederland, XX Bitter, Hommelbier, Hopus, Cristal Alken en Stella Artois in BelgiŽ en Beck's en Jever in Duitsland.




Hypericum perforatum; Sint janskruid.
(Hertshooifamilie)
Gele bloemtrossen. Zeer geneeskrachtig tegen psychische depressies; kalmeert de zenuwen. Bevordert de bloedcirculatie en remt ontstekingen. In de middeleeuwen werd ze gebruikt tegen slaapwandelen. Uit die tijd stamt ook het tovergebruik van deze plant. Je kon er anderen je wil mee opleggen en ze gehoorzaam maken. Ze moest in de Johannesnacht geplukt worden om de mensen te behoeden voor ziekten en om uit het sap de toekomst te kunnen voorspellen of bescherming te geven tegen blikseminslag. Het bloeiend kruid 2 weken in olijfolie in de vollezon zetten, geeft Sint Jansolie dat genezend werkt tegen aambeien.




Impatiens glandulifera; Reuzenbalsemien.
(Balsemienfamilie)
Het is een eenjarige plant die tot 2,5 m hoog wordt. De plant heeft opvallende 2-5 cm grote bloemen, die van juli tot september bloeien met een lila, roze of lichtgele tot witte kleur. De bloemen staan met twee tot veertien bloemen in trossen in de oksels van de bovenste bladeren. De vijf kroonbladen vormen bij elkaar een tunnel, hoed of helm. De getande, bovenste bladeren zitten in een krans aan de hoekige stengels, die vaak vertakt zijn. De langwerpige, lancetvormige bladeren zijn voorzien van extraflorale nectarklieren. De bloemen zorgen dat de plant niet gemakkelijk met andere planten verward wordt. Deze plant is afkomstig uit de Himalaya, vooral uit Tibet en ook uit India. Vanaf 1915 is de plant in Europa als invasieve soort gaan verwilderen, men treft hem nu door geheel West-Europa aan. De plant groeit graag langs of in de buurt van water. Langs sloten, greppels en beken kan men hem aantreffen. Wel moet de bodem stikstofrijk en basisch zijn. De verspreiding van de zaden vindt mechanisch plaats, wanneer de rijpe vrucht wordt aangeraakt, rollen de vijf delen hiervan zich op en schieten zo de zaden weg. Tegelijkertijd valt de vrucht van de plant af. De plant neemt vanaf medio mei de natuurlijke vegetatie over. In de praktijk betekent dat hij brandnetels en hondsdraf overgroeit. De reuzenbalsemien groeit over de brandnetels heen. Op het terrein laten we er niet te veel groeien en roeien ze uit.




Iris pseudacorus;Gele lis .
(Lissen familie )
Het is een 0,8Ė1 m hoge oeverplant van zoet, stilstaand of langzaam stromend water. De plant groeit in water dat tot zo'n 30 cm diep is. De lange, smalle bladen hebben een iets opstaande middennerf en blijven het gehele jaar groen. De bloemen zijn van mei tot juni te zien en zijn 5Ė12 cm in doorsnee. De bloem heeft een groot groen schutblad, drie grote afhangende bloemdekslippen, en drie kleinere kroonbladen. Na de bloei zitten de zaden als een rolletje munten opgestapeld in driekantige zaaddozen. Deze bevatten luchtholten waardoor ze blijven drijven. De plant is een bekend gezicht langs sloten en andere ondiepe waterwegen. Het aantal planten liep eind 20e eeuw in Nederland fors terug, reden waarom de plant in de lijst van wettelijk beschermde planten opgenomen is geweest. Doordat de gele lis veel voedingsstoffen uit het water opneemt, kan deze bijdragen aan het verbeteren van de waterkwaliteit.




Knautia arvensis; Beemdkroon.
(Kaardebolfamilie)
De soort staat op de Nederlandse Rode lijst van planten als algemeen voorkomend, maar is sterk afgenomen. Beemdkroon komt voor in Europa en AziŽ. Beemdkroon is een vaste plant. De plant wordt 15-60 cm lang en heeft grijsgroene bladeren. De onderste bladeren heel en de bovenste veerspletig. Beemdkroon heeft een vertakte wortelstok (rizoom) en soms ook uitlopers. De stengel is door zeer korte haren grijs en door de langere haren stijf behaard. Beemdkroon bloeit met lila bloemen vanaf juni tot de herfst. Ook komen soms witte of gele bloemen voor. De bloemen bevatten veel nectar waar zowel dagvlinders als honingbijen en hommels op af komen. Het synoniem Scabiosa arvensis (duifkruid) heeft betrekking op het eeuwenoude gebruik van de plant tegen schurft.




Linaria vulgaris; Vlasbekje.
(Weegbreefamilie)
Geel-oranje leeuwenbekachtige bloem. De planten lijken als ze nog niet bloeien veel op jonge vlasplanten. De plant kan 30-90 cm hoog worden en bloeit in trossen aan de stengeltoppen van juni tot eind september met gele bloemen. Het masker of gehemelte, dat is de welving van de onderlip die de opening van de bloem afsluit, is meestal oranje, soms lichtgeel. Vroeger werd de plant gebruikt als laxerend of urine-afdrijvend middel. Ook werd hij gebruikt bij lever- en miltkwalen. Zomersproeten en geelzucht zouden ermee verdwijnen. Vandaag de dag speelt de plant geen rol meer in de geneeskunde. In de Middeleeuwen werd een aftreksel van de plant toegevoegd aan het water waarmee de was werd gedaan. Hierdoor werd de grauwe kleur van de was enigszins verbloemd. Ook werden kinderen gewassen met een aftreksel van de plant om hen zodoende te beschermen tegen betovering.




Lychnis doica; Dag Koekkoeksbloem .
(Anjerfamilie)
Griekse woord Lychnos betekent lamp of helder schijnsel. De Nederlandse naam koekoeksbloem is mogelijk ontstaan doordat de planten bloeien als de Koekoek weer in het land is en begint te roepen. In de bladoksels zie je vaak schuim, waarin de larve van een schuimcicade leeft (het koekoeksspuug). Het zou dus ook kunnen dat de naam daarvan afkomstig is. Silene verwijst naar de bosgod Silenus, de Griekse vader van de silenen, die vaak met een dikke buik, net als de kelk van sommige soorten, dronken en rijdend op een ezel werd afgebeeld. Volgens anderen stamt silene af van het Griekse sialon, dat "speeksel" betekent, omdat vele soorten kleverig zijn. Dioica betekent "tweehuizig". De Dagkoekoeksbloem werd als een duivelsplant beschouwd. Wie de plant plukte zou een vroege dood sterven. Een legende vertelde dat als een kind de Dagkoekoeksbloem plukte zijn vader zou sterven en zijn moeder als het de Avondkoekoeksbloem plukte.




Lycopus europaeus; Wolfspoot.
(Lipbloemfamilie)
Vaalwitte bloempjes en bij vergroting ziet men, dat ze wit met purperen vlekjes zijn - best mooie bloempjes, maar wel erg klein. Het is een moerasplant. Ze kan genezend werken op hart en schildklier.




Lysimachia vulgaris; Gewone wederik.
(Sleutelbloemfamilie)
De plant wordt 0,5-1,5 m hoog. De bloemen staan in eindelingse pluimen. De bloemkroon is geel. De bloemen hebben vijf kroonslippen die 7-30 mm lang zijn. Aan de voet hebben de kroonslippen dikwijls een bruinrode vlek. Aan de rand zijn ze bezet met klierharen. De kelkslippen zijn 3-5 mm lang en aan de rand gewimperd. De bladeren staan soms in tweetallen of in kransen van drie of vier aan de stengel. Ze zijn kortgesteeld, langwerpig en lopen in de top uit in een spits. De nerven springen een beetje uit en vormen netwerkjes. Op de bladeren zitten onregelmatige, rode klierpuntjes, die als het blad tegen het licht gehouden wordt goed zijn te zien. De plant heeft wortelstokken, in het water kunnen die soms rood en meterslang zijn. De grote wederik komt voor in de gematigde zone van EuraziŽ. In Nederland is de plant algemeen, met uitzondering van de gebieden met zeeklei en de Waddeneilanden. De vrucht is een doosvrucht. De bruinrode vlek op de kroonslippen is binnen de signatuurleer opgevat als een aanwijzing dat de plant zou helpen tegen bloedspuwingen. Benut om textiel geel te kleuren.




Lytrum Salicaria; Gewone kattestaart.
(Kattestaartfamilie)
Blauw-violet-roodachtige bloem. De lange, rechtopgaande, vierkantige stengels zijn meestal onvertakt en hebben vier in de lengte verlopende strepen. De 3-8 cm lange, lancetvormige tot eironde bladeren staan onderaan in kransen, kruisgewijs tegenover elkaar, maar aan de top verspreid. Bevat 6% looistoffen en druivensuiker. Uit de bloemen gewonnen kleurstof wordt gebruikt in de banketbakkerij. De grote kattenstaart is waardplant voor de kattenstaartdikpootbij. Het boomblauwtje gebruikt onder meer de grote kattenstaart voor haar tweede generatie eitjes. De plant is nectarplant voor de grote vuurvlinder. Doordat stengel en bladeren tannine bevatten, werd het vroeger in de leerlooierij gebruikt. Wortelsap levert een rode kleurstof voor het verven van wol. Medicinaal werd de plant vroeger ingezet voor haar bloedstelpende werking, tegen diarree, dysenterie, maagslijmvliesontsteking en vlektyfus.




Malva alcea; Kaasjeskruid .
(Kaajeskruidfamilie)
Het is een kruidachtige, vaste plant, die in Nederland en BelgiŽ vrij zeldzaam is. De plant komt voor in de Betuwe en in de kuststreken. Vijfdelig kaasjeskruid staat op de Belgische Rode Lijst van planten als zeldzaam tot zeer zeldzaam. Vijfdelig kaasjeskruid wordt ook als sierplant gebruikt, waarbij er zeven tot negen per m≤ moeten worden geplant. Er komen dan ook veel verschillende cultivars voor. Vijfdelig kaasjeskruid wordt 0,5-1 m hoog. De bovenste bladeren zijn twee derde of dieper ingesneden, maar de onderste minder diep. De plant bloeit van juni tot september met roze, reukloze bloemen. De onderste bloemen staan alleen. De 2,5-4 cm grote bloemen hebben veel meeldraden, die tot een androgynofoor samengegroeid zijn. De vrucht is een splitvrucht. De zaden kiemen in de herfst. De bloemen worden bezocht door honingbijen en hommels en is ook een waardplant voor de vlinder Malvabandspanner.




Matricaria recutita; Echte kamille.
(Compositenfamilie)
Geel-witte bloemhoofdjes.Als thee te grbuiken tegen ontstekingen. Als gorgeldrank bij spijsverteringsklachten, kaakontsteking. Het is zweetafdrijvend.




Melilotis officinalis; Honingklaver.
(Vlinderbloemenfamilie)
Gele bloemensperen. Wordt gebruikt om rook- en snuiftabak te aromatiseren. Daarnaast wordt het toegevoegd aan sommige kaassoorten. Als thee werkt het via de stof camarine tegen trombose en hoge bloeddruk.




Mentha aquatica; Watermunt.
(Lipbloemenfamilie )
De watermuntis een vaste plant. De soort komt voor in Europa, Noord-Amerika, AziŽ, Afrika, AustraliŽ en Nieuw-Zeeland. De plant groeit vooral langs en in het water en in natte weilanden en bloeit van juni tot eind oktober. De stengels zijn 30-90 cm lang en hebben gesteelde, eivormige tot langwerpige, gezaagde tot gekartelde bladeren. De bladeren ruiken sterk naar pepermunt (Mentha ◊piperata). De plant heeft zowel bovengrondse als ondergrondse uitlopers. De roodachtig lila bloemen worden door insecten zoals honingbijen en hommels bestoven. De kelkbuis is 4-5 mm lang en heeft lancetvormige tanden. De bolvormige bloeiwijze bestaat uit ťťn of twee schijnkransen. De oude Egyptenaren en Grieken gaven hun doden soms een bosje watermunt mee in het graf. Vroeger werd de plant toegevoegd als smaakmaker aan thee.




Myosotis scorpioides; Moeras-vergeet-mij-nietje.
(Ruwbladigen)
Hemelsblauwe bloempjes.




Ononis spinosa; Kattendoorn.
(Vlinderbloenfamilie)
De geslachtsnaam Ononis is afgeleid van het Oudgriekse Onos wat ezel betekent, omdat ezels graag van de struik eten. Andere Nederlandse namen zijn duivelsbedstro, ezelskruid, ossenbreker en schapendoorn. De struik wordt 20-60 cm hoog en heeft een dikke penwortel. Dieproze behaarde bloemen. De plant staat op de Nederlandse Rode lijst van planten als algemeen voorkomend maar sterk afgenomen. Kattendoorn komt voor in de uiterwaarden, op dijken en rivierdalhellingen en aan de rand van kwelders. Als thee te gebruiken tegen galstenen. Pas op de dorens; deze verwonden zelfs weidedieren.




Origanium vulgare; Marjolein.
(Lipbloemfamilie)
Vleesrode bloemtrossen. Wanneer de marjolein bloeit wordt hij massaal bezocht door de bijen. Oregano is algemeen te vinden in Zuid-Limburg, naast wegen en bosranden. Het is in Nederland en BelgiŽ een beschermde plant. Te gebruiken als gezondheidsthee tegen alle ziekten van de luchtwegen. Wordt ook gebruikt in pizza's en als grondstof in de famaceutische industrie. De echte marjolein is afkomstig uit het oosten van het Middellandse Zeegebied. De plant is reeds sinds de oudheid bekend in Europa. Marjolein heeft een intens aroma, dat aan tijm doet denken, maar zachter van smaak en zoeter is. Het kruid wordt voornamelijk gebruikt bij de bereiding van worsten, maar past ook uitstekend bij witte bonen, aardappelgerechten, zuurkool, gehakt, varkensvlees, vleespastei, wild en gevogelte en in tomatensaus. Bij de oude Grieken werd marjolein samen met peterselie als middel tegen een kater gebruikt. Men vlocht er een krans mee en zette die op het hoofd tijdens de feestmaaltijd




Pastinaka sativa; Pastinaak.
(Schermbloemenfamilie)
De bloemenschermen hebben kleine gele bloemetjes zonder kelkblaadjes. Tweejarige plant met vlezige raapwortel. Oude, tot in de 18e eeuw overal verbouwde cultuurplant. De anderhalve kilo zware rapen werden vroeger als veevoeder, groente en vervanger van koffie gebruikt. Overtreft peen en raap in voedingswaarde en de jonge scheuten zijn geschikt als menggroeten. De splijtvruchten van de bloemen zijn breed ellipsvormig (0,5 cm) en kunnen als keukenkruid gebruikt worden (salades, zuurkool). Tegenwoordig wordt de plant weer in de Vlaamse keuken en in de homeopathie gebruikt.




Potentilla anserina; Zilverschoon.
(Rozenfamilie)
De naam van deze plant komt door het zilverig uiterlijk dat ontstaat door zijdeachtige haartjes waarmee de plant is bedekt. De bladeren vormen een bladrozet. Uitlopers wortelen op de knopen tot op 80 cm van de plant. Zilverschoon komt voor op vochtige plekken langs wegen en in het weiland. De plant is giftig voor paarden, vooral na het eten van grote hoeveelheden en langere tijd. Gele bloemen. Als thee te gebruiken tegen diarree. Het werkt krampstillend. Een aftreksel van de plant werd vroeger gebruikt bij oogontsteking of als gorgeldrank bij kiespijn.




Potentilla tabernaemontani; Voorjaarsganzerik.
(Rozenfamilie)
Geel bloemetje. Kruipende lage plant.




Ranunculus acris; Scherpe boterbloem.
(Ranonkelfamilie)
De Nederlandse naam "boterbloem' is vanwege de boterkleurige bloemblaadjes. Ranunculus is het verkleinwoord van het Latijnse rana en betekent "kikker". Ranonkels groeien vaak in of langs het water en in vochtige weiden, de plek waar veel kikkers voor komen. Acris is het Latijnse woord voor "scherp", naar de smaak van de plant. Gele bloem, plant tot 1 meter hoog. Plant bevat protoanemonine, een giftige stof. Vroeger werd de boterbloem gebruikt bij huidziekten en gewrichtsontsteking, tegenwoordig in homeopathische preparaten. Het sap prikkelt de huid en kan bij gevoelige mensen blazen veroorzaken.




Ranunculus ficaria; Gewoon speenkruid .
(Ranonkelfamilie)
Het is een laagblijvende voorjaarsbloeier (een van de eerste bloemen die je op het terrein ziet). De soortaanduiding ficaria komt van het Latijnse Ficus, dat vijg betekent. Oude namen voor deze plant zijn 'vijgwortel', 'oaneklootjes' en 'katteklootjes'. De naam 'speenkruid' is volgens sommigen afgeleid van de vorm van de knollen, die op kleine speentjes lijken. Volgens anderen is de naam afgeleid van de toepassing tegen aambeien, oftewel speen. De gele bloemen hebben acht tot twaalf kroonbladeren en drie groene kelkbladeren, een afwijking ten opzichte van de overige leden van de ranonkelfamilie. Bij slecht weer blijven de bloemen gesloten, bij zon spreidt de bloem zich wijd open. De planten vormen als het ware een "tapijt", het geheel is niet hoger dan 10 cm. e bladeren van gewoon speenkruid bevatten veel vitamine C. Vroeger werd de plant dan ook gebruikt tegen scheurbuik. Ze werd ook veel verwerkt in salades. Belangrijk is dat de bladeren dan voor de bloei worden geplukt. Tijdens de bloei ontwikkelt de plant in de bladeren namelijk protoanemonine en saponine, giftige stoffen. De bladeren smaken dan bitter, en ze wordt dan ook door weidedieren gemeden. Bij drogen wordt protoanemonine omgezet in een minder werkzame stof, anemonine, die ook giftig is. Vroeger werd de wortel in- en uitwendig gebruikt bij aambeien. Inwendig gebruik is echter niet verantwoord.




Rosa canina ; Hondsroos.
(Rozenfamilie)
Het is een in de Benelux van nature voorkomende roos. De struik komt van nature voor in Europa, Noordwest-Afrika en West-AziŽ. In Noord-Amerika is de plant geÔntroduceerd. De struik wordt 1 tot 3 meter hoog. De bladeren en takken zijn groen of soms roodachtig aangelopen. De stekels zijn grotendeels haakvormig gebogen. Rosa canina 'Assisiensis' is een cultivar zonder stekels. De hondsroos bloeit in juni en juli met 4-6 cm grote, witte of roze bloemen. De kroonbladen zijn veel langer dan de kelkbladen. De vrucht is een ovale, rood-oranje, 1,5-2 cm grote rozenbottel. De zaden kunnen zich zonder bevruchting ontwikkelen. Deze roos komt voor op voedselrijke, niet te zure, niet te donkere plaatsen. Door zijn stekels beschermt hij zichzelf tegen vraat. De hondsroos komt met name langs bosranden, in heggen en in struikgewas voor. De bloemen worden door bijen bestoven, de bottels worden graag gegeten door allerlei vogels, zoals de koperwiek en de kramsvogel in de maanden december, januari en februari. Van de rozenbottels wordt onder andere jam bereid. Deze jam is rijk aan vitamine C. Verder bevat een rozenbottel caroteen, vitamine B1 en vitamine B2. Het element 'honds-' dat in veel talen aan de naam van deze roos kleeft, stamt uit de antieke geneeskunde: de plant werd gebruikt tegen hondsdolheid (rabiŽs).




Rumex acetosa; Veldzuring.
(Duizendknoopfamilie)
Rood-groene bloem. Vaak en met name op zonnige plaatsen zijn veel delen van de plant rood aangelopen. De plant komt in matig voedselrijke en matig vochtige graslanden voor, die door de plant rood kunnen kleuren. Soms komt de soort op meer open gedeelten in bossen voor maar is daar meer bleekgroenig van kleur. Bevat veel oxaalzuur. Bloemen licht giftig. Soms wordt op een stengel gekauwd omdat die sappig en zurig is. In de keuken kunnen de blaadjes worden gebruikt voor salades, soepen en de bereiding van sauzen. Ook in "Paling in het groen" wordt zuring verwerkt. Ze bevat veel ascorbinezuur.




Sagittaria sagittifolia; pijlkruid.
(Waterweegbreefamilie)
De Nederlandse naam komt overeen met de geslachtsnaam, die naar een 'pijl' verwijst. De naam verwijst naar de vorm van de bladeren. Onder water zijn de bladeren lichtgroen, lang en smal. Boven water hebben de bladeren een duidelijke pijlvorm. De driekantige stengels kunnen tot een halve meter boven het water uitsteken. De plant bloeit van juli tot september en hebben in het midden een bruine tot donkerpaarse vlek. De bloemen groeien in langwerpige bloeiwijzen. De bloemen bestaan uit drie vrije kroonbladeren en drie groene kelkbladeren. De vruchten zijn klein. De knollen zijn eivormig, wit of groen van kleur en bedekt met schubben. De zetmeelhoudende, zoet-aromatisch smakende knolletjes worden in China en Japan als groente gegeten. De knolletjes worden geschild, in kleine stukken gesneden en vervolgens gekookt. Ze zijn een bestanddeel van veel Aziatische gerechten. De knollen bevatten 20% zetmeel en 5% eiwit. Ook de jonge bladeren zijn eetbaar.




Sambucus nigra; gewone vlier.
(Muskuskruidfamilie)
Het is een geslacht van snelgroeiende heesters of kleine bomen. In de lente dragen ze tuilen van witte of crŤmekleurige bloemen, gevolgd door kleine rode, blauwachtige of zwarte vruchten. Ook komt er een vlier met paars blad en roze bloemen voor. Thee van de bloemen versterkt de afweer. Gekookte bessen versterken de stofwisseling en worden ingezet tegen ischias en reuma. Vlierbessensiroop is goed voor de keel bij een verkoudheid. Het helpt de koorts te onderdrukken bij griep. Zowel bloemen als bessen worden gebruikt voor het maken van wijn; de bessen worden ook verwerkt tot jenever en jam of gelei. Ook worden de bessen gebruikt voor het verven. De bessen kunnen beter niet rauw gegeten worden aangezien ze licht giftig zijn. Ze bevatten de naar dit geslacht genoemde stof sambunigrine, die door koken onschadelijk wordt gemaakt. Gekneusde bladeren bijeengebonden boven een deur of raam houden muggen op afstand. Kransen van vliertakken legt men over de hoofden van paarden om lastige vliegen op afstand te houden. Vlierbloesem laat men even trekken in water en gefilterd kan men daarvan een limonade maken die verfrissend en zweetafdrijvend werkt, ook bij verkoudheden. Dit kan ook met de jonge scheuten in de periode van Sint Jan (24 juni) die op dat moment het krachtigst zijn. Enkele bezoekers maken van de vlierbloesem elk jaar ook bier (recepten zijn op internet te vinden). Aan de bloesem van de vlier worden voorspellende krachten toegeschreven. In Centraal-Europa hangen jonge meisjes in de nacht van eenentwintig juni een bloeiende bloeiwijze achter het bed. Hierdoor zal hun toekomstige echtgenoot zich in hun droom openbaren.




Saponaria officinalis; Zeepkruid.
(Anjerfamilie)
De roze bloemen zijn met vijf tot tien stuks in een scherm of tros gerangschikt. De vijf kroonbladen per bloem zijn niet uitgerand. De roodachtige kelkbladen zijn tot een buis vergroeid. De bloeitijd loopt van mei tot september. De langwerpige bladeren zijn tegenoverstaand. De plant bevat saponinen, inwendig gebruik moet daarom met voorzichtigheid gebeuren. Bij overdosering kunnen misselijkheid, diarree en eventueel braken optreden. De plant werd gebruikt tegen ontstekingen. De wortels van de plant werden vroeger gebruik om wasgoed te bleken. Een aftreksel van de wortels werd daartoe schuimig geklopt en het schuim werd gesprenkeld over het wasgoed wat op een bleekveld uitgespreid lag. Na droging in de zon werd het gedroogde schuim afgeborsteld. Vandaar de naam.




Sinapsis arvensis; Herik, gewone.
(Kruisbloemenfamilie)
De herik is een eenjarige plant uit de Kruisbloemenfamilie (Brassicaceae). De plant wordt tot 80 cm hoog en heeft stijve haartjes aan de voet van de stengel. De plant komt algemeen voor op bouwland, langs wegen en langs dijken. Gele op koolzaad lijkende bloemen. De bloemknoppen zijn na twee tot vijf minuten koken eetbaar. Als of in de spinazie te gebruiken. De bladen kunnen ook gekookt als groente gebruikt worden, waarvoor ze ten minste dertig minuten worden gekookt. Van de zaden kan mosterd worden bereid. De plant produceert een bijna ongelooflijk aantal zaden, ca. 25.000 per plant, die hun kiemkracht wel 25 jaar behouden.




Solanus dulcamara; Bitterzoet.
(Nachtschadefamilie)
Blauw bloempje - rode bessen. Giftig.




Sonchus oleraceus; Gewone melkdistel.
(Compositenfamilie)
Bleek-gele bloem. Kan als groente in salades worden gebruikt. Het melksap geneest leverziekten. De Zwitserse arts 'Bodenstein' beweert dat de melkdistel tegen voetjicht (podagra) helpt.




Sparganium erectum; Grote egelskop.
(Egelskopfamilie )
De plant komt van nature voor in EuraziŽ en Noord-Afrika. De plant wordt 30-100 cm hoog en vormt dikke wortelstokken. De dof lichtgroene, tot 50 cm lange en 0,6-3 cm brede, rechtopstaande bladeren zijn driehoekig en van onderen scherp gekield. De grote egelskop bloeit van juni tot september met bloemen, die aan de top donkerbruin tot zwart zijn. De vrouwelijke bloemen hebben lange, draadvormige stijlen en stempels en zitten in ewen tot vier hoofdjes. De hoofdjes met mannelijke bloemen zitten boven die met vrouwelijke bloemen. De vrucht is een nootje. Op de zaden zitten zes tot tien scherpe of afgeronde ribben. De plant komt voor in en bij zoet, voedselrijk water.




Stachys palustris; moerasandoorn.
(Lipbloemenfamilie)
De moerasandoorn geeft een onaangename geur af bij kneuzing. De 60-80 cm hoge plant komt voor op vochtige standplaatsen, zoals in ruigtes, langs rivieroevers, langs beken en sloten of in bouwland. De plant verspreidt zich vegetatief met dunne wortelstokken waar aan het eind witte knolletjes zitten vergelijkbaar met aardappel. De knolletjes werden vroeger wel gegeten. De behaarde, holle stengel is vierkantig. De tot 15 cm lange, sterk behaarde, getande bladeren zijn tamelijk smal lancetvormig tot langwerpig-ovaal en aan de voet enigszins hartvormig. De bladeren zijn tegenoverstaand en de bovenste zittend. De plant heeft 1,2-1,5 cm lange, purperen bloemen, waarvan de onderlip vaak roodachtig gevlekt is. Vroeger werd de plant gebruikt als geneesmiddel voor sneden en wonden. De bladen hebben ontsmettende eigenschappen. Ook werd de wortel gebruikt voor oppervlaktebehandeling bij kneuzingen.




Stellaria media; vogelmuur.
(Anjerfamilie)
Het is een eenjarige plant. De bloeitijd loopt van januari tot december. De plant is vaak wijdvertakt, maar heeft slechts ťťn wortelstelsel. De 3-40 cm lange stengels zijn groen of rood. De bladeren zijn groen, eirond met een spitse top, en vaak gesteeld. De bloemknop is sterk behaard. Vogelmuur groeit in akkers, tuinen en ruigten. De vijf kroonbladen zijn wit en zeer diep ingesneden, waardoor het lijkt of er tien kroonbladen zijn. De kelkbladen zijn even lang. Stellaria komt van het latijnse stella (= ster), hetgeen slaat op de 5 tweedelige kroonbladen, die als een sterretje uitstaan. Vogelmuur is in trek bij vogels. VoliŤrehouders gebruiken deze plant wel om hun vogels van groenvoer te voorzien.




Symphytum officinale; Smeerwortel.
(Ruwbladigen)
De plant wordt 40-100 cm hoog met van mei tot augustus witte, roze of paarse, dicht opeen in een hangende tros gegroepeerde bloemen. De bloemen zijn klokvormig, 2-4 cm groot. De kelkbladen zijn spits, en 1/3 van de buisvormige, vergroeide kroonbladen. Zowel de stengel als de lancetvormige bladeren zijn ruwbehaard. Het wortelblad is het grootst, dit kan 25 cm lang zijn. De hogere bladeren zijn gevleugeld langs de stengel, dat wil zeggen: het blad loopt door langs de stengel tot het vorige blad. De bladeren zijn aan de onderzijde geaderd. Licht giftig. De plant werd en wordt met name uitwendig toegepast, in de vorm van omslagen bij botbreuken, wonden, en gewrichtsontstekingen. Onderzoek heeft uitgewezen dat allantoÔne de heling van wonden inderdaad kan bevorderen door de stimulering van de vorming van nieuwe cellen.




Tanecetum vulgare; Boerenwormkruid.
(Compositenfamilie)
Het is een vaste plant. De plant heeft een kantige donkerbruin gekleurde stengel en kan 60-120 cm lang worden en bloeit met platte schermen, die uit tientallen individuele bloemhoofdjes bestaan. De buisbloempjes staan in schijnschermen zeer dicht opeen en geven het scherm de stevigheid als van een kussentje. De hoofdbloei valt in de periode juni tot en met augustus en de nabloei kan tot aan de herfst aanhouden. De botanische naam Tanacetum is vermoedelijk afgeleid van het Oudgriekse woord 'athanasia' dat 'onsterfelijk' betekent. Het heeft deze naam waarschijnlijk te danken aan het feit dat de bloemen niet makkelijk verwelken en lang hun gele kleur behouden. Uitwendig kan het gebruikt worden als lotion bij schurft. Wat boerenwormkruid in de schoenen geplaatst zou helpen tegen chronische koorts. In de fytotherapie wordt het gebruikt tegen onder andere artritis en verkoudheid. In de plant komt het giftige thujon voor dat wormafdrijvend, vooral van spoel- en lintwormen, is. Ook was het kruid veelvuldig in gebruik om een abortus op te wekken. Hoge doses veroorzaken duizeligheid, krampen, buikpijn en kunnen dodelijk zijn.Het wordt ook in trosjes gebruikt bij kleding als mottenverdrijvend middel.




Taraxacum officinale ; paardenbloem.
(Composietenfamilie )
In deze familie zijn bloemen sterk gereduceerd en klein en staan ze dicht bij elkaar in een bloemhoofdje. Paardenbloemen zijn heel algemeen. In april kunnen ze hele weilanden geel kleuren. Dat neemt niet weg dat bepaalde micro-soorten en secties zeldzaam kunnen zijn. Het bloemhoofdje wordt door velen aangezien voor een bloem, maar is feitelijk een hele verzameling kleine bloemetjes. Het bloemhoofdje van een paardenbloem bestaat uit alleen gele lintbloemen. De pappus (gereduceerde kelk) bestaat uit haren. Zie voor verdere uitleg composietenfamilie. De stengel is altijd hol en heeft nooit bladeren. De bladeren staan in een rozet bij elkaar. Ze zijn diep ingesneden tot bochtig getand. Bij kneuzing vloeit uit de plant een witte vloeistof, die paardenbloemenmelk wordt genoemd. Deze laat bruine vlekken achter. De wortel wordt wel in gedroogde vorm tegen nier- en galkwalen gebruikt. De melk van de plant kan gebruikt worden tegen puistjes door ze rechtstreeks aan te brengen. Afkooksel van de wortels, verse worteltinctuur of vers geperst wortelsap van de paardenbloem wordt gebruikt voor de behandeling van artritis.




Urtica dioica; Grote brandnetel.
(Brandnetelfamilie)
De botanische naam Urtica dioica komt van het Latijnse uro "ik brand", wat verwijst naar de pijnlijke en/of irriterende brandharen van de plant, en het Griekse dioica "2 huizen", wat verwijst naar de mannelijke en vrouwelijke planten. De Nederlandse naam gaat terug op een proto-Germaans woord *nat-ilű-, verkleinwoord van *natű-. De brandnetel is kosmopolitisch en een cultuurvolger. In Nederland en BelgiŽ komen de grote brandnetel en de kleine brandnetel voor. De bloemtrossen van de grote brandnetel hangen in okselstandige aren, van de kleine brandnetel staan ze rechtop. Beide brandnetels hebben brandharen aan de stengel en aan de onderzijde van het blad. De bovengrondse delen van brandnetel zijn rijk aan carotenen, vitamine C en ijzer. Ook komt vitamine D in de plant voor. Tot 20 % aan kiezelzuur, kalium en nitraat kan in de plant voorkomen. Gedroogde brandnetels, liefst voor de bloei, zijn een goed voer voor geiten en konijnen, vanwege het hoge eiwitgehalte. Geiten eten de grote brandnetel ook graag vers. Zeer jonge planten, die nog geen brandharen hebben, kunnen vers aan konijnen gevoerd worden. De Romeinen die in onze koude streken gelegerd waren, haalden soms brandnetels over hun benen om het warm te krijgen. In de Middeleeuwen maakten de monniken kleine zweepjes van brandnetelstengels en sloegen hun lichaam ermee als boetedoening. Brandnetels worden gemeden door de mens, omdat de brandharen van de plant bij aanraking zeer pijnlijk zijn. Het is een van de weinige onkruiden die iedereen bij naam kent. Aan de top van de knop van iedere brandhaar zit een weerhaakje dat bij aanraking in de huid vast komt te zitten. Daarbij breekt de knop van de brandhaar af en komt een mengsel van stoffen in de huid die de brandende en langdurig aanhoudende pijn veroorzaken. Ook ontstaan op de huid lichtere, jeukende bultjes, die netelblaren worden genoemd. Jonge brandnetelstengels van de grote brandnetel kunnen als een soort spinazie gegeten worden. Bladeren en stengels geweekt in water geven een geur die uitstekend geschikt is voor de bestrijding van luizen.




Veronica beccabunga; Beekpunge.
(Helmkruidfamilie)
Blauwe bloempjes in trossen. De stengel en het blad van deze waterminnende plant zijn kaal en iets vlezig. De plant groeit in beken, sloten aan waterkanten en in vochtig akkerland. Het verspreidingsgebied bestaat uit vrijwel geheel Europa. De wat scherp, ietwat bitter smakende bladeren werden vroeger wel gegeten, net als waterkers. In het noorden van Europa gebeurt dat nog steeds als onderdeel van salades. Overdaad schaadt echter: de bladeren en jonge scheuten bevatten diuretisch werkende stoffen. Bevat etherische olie, die genezend werkt bij ademhalingsziekten.




Veronica chamaedrys; Gewone ereprijs.
(Helmkruidfamilie)
De plant heeft azuurblauwe bloemen, die ongeveer 1-1,5 cm groot zijn. Aan de buitenkant worden de bloemen wat lichter van kleur. Bloemen die al een dag oud zijn krijgen een wat roodachtige zweem. De bloem sluit zich bij langduriger regenval en harde wind. Bovendien gaan de gesloten bloemen hangen. De bloem wordt vanwege stuifmeel en nectar bezocht door vliegen, de honingbij en kevers. De naam ereprijs is mogelijk afkomstig van de Vlaamse botanist Dodoens, die de planten "eer ende prijs oft loff" gaf vanwege hun geneeskrachtige eigenschappen. Er zijn echter nog een tweetal verklaringen in omloop. Ereprijs zou zijn naam te danken hebben aan het feit dat in de Middeleeuwen winnaars van grote toernooien een krans kregen van deze bloemen. Een derde verklaring is dat een Frankische koning vele jaren aan huiduitslag leed en daarvoor, na goede raad van een jager, dit plantje gebruikte en genas van de huiduitslag. Toen gaf hij het plantje de naam "ereprijs". Veronica is genoemd naar de heilige Veronica. Veronica zou in een zweetdoek de afdruk gekregen hebben van het aangezicht van Christus. Sommigen menen in de bloem een weergave te zien van die afdruk. Chamaedrys betekent "kleine eik". Giftig. Bij hoest en verkoudheid, maag - en leverklachten, diarree, ontstekingen van keel en mond.




Vicia cracca; Vogelwikke.
(Vlinderbloemenfamilie)
De vogelwikke kan gevonden worden op bouwland, grasland, langs wegen, dijken, in heggen en in kreupelhout. De plant wordt gekenmerkt door de veelbloemige trossen met soms wel dertig bloempjes. Ze zoeken door middel van ranken steun bij andere planten. Blauw en roodviolette bloemen. Oeroude cultuurplant.