Stichting Naturisme Isabellagriend

Dieren Isabellagriend

Dieren Isabellagriend

Bevers.

Een europese bever in het water tussen de waterpest; Stichting Naturisme Isabellagriendeen foto van de site van Stichting de Ark. Helaas hebben we bevers (de europeese Castor Fiber) overdag nog nauwelijks in levende lijve kunnen fotograferen of filmen bij het naturismeterrein. Dat komt omdat deze dieren vooral in de schemering uit hun burchten komen als de omstandigheden gunstig zijn. Burchten zijn er op het terrein zelf overigens niet, maar wat niet is, komt misschien nog ooit. Langs de Oolderplas aan de kant van ons terrein zijn er inmiddels in 2021 drie. Ze zitten dus heel dichtbij. Op Youtube zijn wel interessante films te vinden; start bijvoorbeeld met deze introductiefilm.

Bevers zijn na de Zuid-Amerikaanse Capybara de grootste knaagdieren ter wereld. Ze kunnen worden herkend aan hun donkerbruine pels, korte poten en platte staart. Ze zijn enigszins plomp gebouwd, zijn ongeveer 1 meter lang (exclusief de staart van ongeveer 30 cm) en hebben een gewicht tot 30 kg. Duiken en zwemmen kunnen bevers als de beste, maar op het land kunnen ze zich niet echt snel voortbewegen. Ze kunnen met gemak zeker 5 minuten onder water blijven. Hun achtervoeten hebben vijf tenen met daartussen zwemvliezen. De tweede achtervoetteen heeft een kleinere dubbele nagel, die dient voor het schoonmaken van de vacht. De horizontaal afgeplatte, geschubde staart is 12 tot 15 cm breed en wordt gebruikt om alarmsignalen te geven door ermee op het water te slaan, om mee te sturen tijdens het zwemmen en als metselwerktuig. Bevers hebben 20 wortelloze tanden en kiezen. De snijtanden zijn beitelachtig en hebben een oranjerode buitenste glazuurlaag. De hersenen zijn in vergelijking met die van andere knaagdieren buitengewoon goed ontwikkeld.

Bevers eten uitsluitend plantaardig materiaal. Het menu bestaat onder andere uit oeverplanten, riet, wortelstokken van waterlelies, jonge twijgen, bladeren en boomschors. In de zomer eten ze vooral kruiden en waterplanten. De bomen die bevers doorknagen, zijn bij voorkeur 8-20 cm in diameter, van de soorten wilg en populier (vooral ratelpopulier), en in mindere mate ook berk en wilde kers. Ze geven de voorkeur aan bomen die dicht bij het water staan. Grote wilgen echter ook behoorlijk aangevreten. Een 8 cm dikke wilg is in vijf minuten doorgeknaagd, aan grotere bomen werken ze verschillende nachten achter elkaar. Volgens waarnemingen moest een groep bevers zelfs enkele maanden werken om een 85 cm dikke populier te vellen. Elke bever knaagt per jaar 200-300 dunne populierenstammen door. Op een halve hectare land vindt een beverkolonie 1-1,5 jaar lang voedsel. Aan dikke bomen werken vaak twee bevers tegelijk, waarbij meestal de een knaagt en de andere op de uitkijk staat. Een gevelde boom wordt in stukken geknaagd, hoe dikker de boom hoe korter de stukken. Voor zover de schors nog te eten is, schillen ze deze af en eten hem op. Bevers houden geen winterslaap en als het water dichtgevroren is, moeten ze twijgjes en schors eten die ze in de zomer hebben verzameld.

Aan grote rivieren die te breed zijn om een dam in te bouwen, nemen bevers genoegen met een eenvoudig hol in de oever met minstens 2, maar vaak wel 4 of 5 ingangen, die steeds onder water liggen. In de oever wordt een verblijf, ‘ketel’, gebouwd, dat ongeveer 1,20 meter breed en 40-50 cm hoog is en dat aan de binnenkant zeer zorgvuldig glad is gemaakt. Als de waterspiegel van de rivier stijgt, moet ook de vloer van het woonhol verhoogd worden. Daartoe schraapt of knaagt de bever eenvoudig aarde af van het plafond. Soms leggen bevers hun burchten ook midden in een stuwbekken aan, door met water verzadigde takken en modder op te hopen tot het kunstmatige eiland dat 1 – 2 meter boven de waterspiegel uitsteekt. Vervolgens wordt het eiland uitgehold en van een ketel en gangen voorzien. Vooral in noordelijke streken dicht de bever zijn burcht zorgvuldig af met modder en leem.

We zien ze dan wel nooit, maar hun daden benne groot, zoals we in het voor- en najaar vaak zien, en daarvan lieten we in het verleden op onze voormalige site al meerdere malen foto’s zien, zoals die hieronder.

Wilt u nog meer van bevers weten dan verwijzen we u graag naar deze site: Bevers op de site van Stichting de Ark.

Galloways.

De meest bekende en duidelijk zichtbaar aanwezige dieren bij de Isabellagriend zijn de Galloway-runderen. Alhoewel het jaarrond begrazers zijn verhuizen ze in de wintermaanden soms naar een plaats waar in ieder geval geen hoogwater van de Maas kan komen. In de winter zult u ze dus niet altijd aantreffen.

Dit hier links is ma galloway met haar kalf gefotografeerd net nadat ze haar kalf aan de kudde heeft gepresenteerd. Ongeveer een twee uur daarvoor had ze het ergens midden in het gras ter wereld gebracht. Ze was even in de buurt gebleven en daarna heeft ze het als het ware al aflikkend op de been geholpen. Althans zo leek het op enige afstand. Zo’n nieuweling wordt echt verwelkomd in de kudde met luid geloei door de overige groepsgenoten.

Begin van de zomer 2004 konden we dit allemaal meemaken bij de Isabellagriend en het was een gebeuren met toch wel iets van menselijke trekjes. Hieronder in de fotogalerij ziet u het kalf enkele maanden later. Het nuttigt dan nog altijd moedermelk.

De aanwezige galloways zijn over het algemeen rustige dieren waar je niet bang voor hoeft te zijn. Ze gedragen zich als een kudde. Als dat nodig is – bijvoorbeeld wanneer ze het gras onder je badlaken dreigen te gaan verorberen – kun je ze met een kordaat en gedecideerd optreden sturen in de richting waarin je ze wilt hebben. In de loop der tijd lijken ze steeds minder mensenschuw te worden- ze schrikken niet meer op als je hen op een dikke meter passeerde – , maar je moet altijd oplettend met hun om blijven gaan. Vooral als en jongen bij zijn en wanneer een eventueel aanwezige stier het op zijn heupen heeft. Houdt er ook rekening mee dat er van tijd tot tijd vernieuwing in de kudde plaats vindt en er soms koeien en stieren zijn, die niet vertrouwd zijn met de omgang met mensen en houdt honden uit de buurt.

Er zijn eigenlijk maar drie nadelen aan deze beesten. Ze leggen overal van die bruine niet te eetbare vlaaien neer, die natuurlijk altijd ergens in de looppaadjes komen te liggen. Daarnaast zeiken ze in het water, want waterschuw zijn ze zeker niet. Zie hieronder. Op warme dagen zoeken ze er verkoeling in. Als ze in de winter overblijven lopen ze in het voorjaar overal op het terrein en dat veroorzaakt gaten in de klei. We hebben daardoor dan ook hobbelige paden.

Egeltje

Zo maar op een ochtend ontdekten we hem of haar en bij toeval was het fototoestel meteen bij de hand. Hij of zij heeft duidelijk een keer een verwonding bovenop zijn snuitje opgelopen, maar alles leek verder prima in orde met het beestje.

Na de fotosessie hebben we hem of haar gewoon zijn of haar weg laten vervolgen en al spoedig verdween hij of zij in het struikgewas. Aan zijn ruischen in het struikgewas hadden we hem ook ontdekt. Het is een zogenaamde Europese egel een van de bestaande 15 soorten. Egels leven bij voorkeur in halfopen landschappen. In Nederland is de egel een beschermde diersoort. De egel is overwegend ‘s nachts actief. De dag brengen egels verstopt in een nest van bladeren of op een andere donkere plek door. In de winter houden ze een winterslaap. In ons land is dat van eind oktober tot eind maart of begin april.

Bruine pad

Hij of zij was al eens op het nieuws op onze voormalige site. Het is de Bruine pad (Bufo bufo; 8 – 15 cm).
Daarvan hebben we de volgende omschrijving: “rug grijsbruin of olijfkleurig, wrattig; buikzijde lichter; pupil horizontaal; eet wormen spinnen insecten en naaktslakken; is meestal in de schemering actief.

Ze bezitten grote kussenvormige verzamelingen gifklieren (parotoden) achter de trommelvliezen. Men kan deze pad zonder gevaar in de hand nemen: het uitgespoten vocht is reserve-watervoorraad uit de urineblaas; het wittige gif uit de parotoden, dat gevaarlijk is voor de slijmvliezen(de bek van de vijand), wordt slechts bij zeer ruwe behandeling uitgeperst.
Padden beschikken over korte achterpoten, waarmee ze slechts kleine sprongen maken en meestal lopen. Ze hebben ook grote ogen waarmee ze vlug hun prooi of gevaar ontdekken.

Direct na hun winterslaap gaan de padden op weg naar hun paarplaats: stilstaand water. Door hun instinct zoeken ze de plaats op waar ze zelf zijn geboren. De trek geschiedt ‘s nachts bij een temperatuur van +5C of hoger. Door het drukke verkeer halen vele padden de overkant van een eventuele weg niet. Daarom zijn vele milieuorganisaties gestart met een padden overzetactie.

Half oktober 2004 verscheen in de media het bericht dat 30% van de amfibieƫn dreigt uit te sterven. Kikkers en salamanders worden steeds zeldzamer. Voorbode van nog ingrijpender onheil? Toename milieuvervuiling!

Groene Kikker (Rana esculenta)

Deze groengekleurde kikkers hebben een lengte die tussen de 5 en de 9 cm. ligt. Er zijn drie soorten groene kikkers: de kleine groene kikker, de middelste groene kikker en de grote groene kikker. Onderling zijn ze door ervaren waarnemers te onderscheiden door de grootte van de metarsusknobbel. Voor een betrouwbare determinatie is bloedonderzoek gewenst.

Stichting Naturisme IsabellagriendZe komen de hele zomer voor, om en in schoon water en stellen geen specifieke eisen aan hun biotoop. Wel moeten ze kunnen “zonnen”, bij een poel die vaak in de schaduw ligt, zullen ze op zoek gaan naar een plek waar meer zon is, is deze niet aanwezig dan zullen ze weg trekken. Kortom ze horen wel een beetje bij het naturismeterrein en in de poel die aan de noorwestzijde is ontstaan hebben we ze in 2006 voor het eerst aangetroffen.
Er zijn drie soorten groene kikkers: de poelkikker of kleine groene kikker (Rana lessonae), de meerkikker of grote groene kikker (Rana ridibunda) en de kruising tussen deze twee: de middelste groene kikker (Rana klepton esculenta).

De poelkikker lijkt een voorkeur te hebben voor kleine, relatief voedselrijke wateren zoals drinkpoelen en sloten (op zand- en leemgrond); de meerkikker voor grote wateren op klei. De middelste groene kikker kan in allerlei wateren voorkomen, bijna altijd samen met een van de andere soorten.

De groene kikker is niet bedreigd maar wel beschermd. De groene kikker is met zijn 10 cm een stukje groter dan de bruine. De vrouwtjes van de groene kikker doen hun naam meestal alle eer aan. De mannetjes daarentegen kunnen soms zo donkergroen zijn, dat je ze zou verwarren met de bruine kikker als je niet naar de wang zou kijken. De rugzijde vertoont zwarte vlekken. Op de achterpoten heeft hij een witte tot felgele tekening en op de rug een lichtgroene streep. De kop van de groene kikker is smaller dan die van de bruine kikker. Zijn huid is glad. In tegenstelling tot zijn bruine collega, is de groene kikker een vrij schuchter diertje.

Konijn

Dit konijntje kwam via het gras op een plek waar we met zijn allen lagen te zonnen en waarschijnlijk te slapen, anders was hij allang een andere kant opgegaan. Vervolgens rende hij of zij hard weg, maar Roger Linden kwam net van die kant aanwandelen met het toestel in de hand en zo kon deze foto worden gemaakt.

Konijnen behoren tot de haasachtigen. Die hebben, als echte planteneters, grote platte plooikiezen. Verder hebben ze relatief grote achterpoten, lange oren, grote ogen en terugtrekbare huidflapjes voor de neusgaten. In plaats van kussentjes zit er op de voetzolen een dikke haarvacht. Onder de kin zitten klieren die een stof afgeven om het territorium mee af te bakenen.

Konijnen hebben een grijsbruine vacht met een okerkleurige nek. Vrouwtjes hebben een iets smallere kop dan mannetjes en zijn over het algemeen iets minder zwaar. De oorpunten hebben een dun donker randje aan de buitenzijde. De korte staart is zwart van boven en wit aan de onderkant. De staart is meestal opgewipt, zodat alleen de witte onderzijde zichtbaar is.

Konijnen leven in holen en hebben daarom een voorkeur voor zandige bodems waarin het makkelijk graven is. Ze prefereren halfopen landschappen en mijden vochtige terreinen zoals moeras en veen of zware klei, omdat ze daarin geen holen kunnen graven.
Als we buiten de vroege ochtend of de latere namiddag konijnen zien bij de Isabellagriend  vluchten ze meestal weg.  Als ze dat niet snel doen, is er vaak wat met het beestje aan de hand en is het ziek. Vaak betreft dit myxomatose of VHS, twee virusziekten. Als een konijn zo’n ziekte eenmaal heeft, is het meestal niet meer te redden.

Eekhoorntje, wezeltjes

We hebben al vaak een eekhoontje op het terrein gezien, maar hadden nog nooit een fototoestel bij de hand. Hetzelfde geldt voor wezeltjes. We zien ze soms spelen. Meer hierover als we meer geluk hebben bij het vastleggen ervan.

Vos

Een aantal bezoekers hebben ons in de loop der jaren verteld dat ze meestal ‘s morgens vroeg  een vos op het terrein hadden gezien. Meestal was hij telkens snel verdwenen. Het laatste beeld dat we van hem kennen, stamt uit april 2014 toen hij heel kort maar wel op afstand op een wildcamera te zien was. De week voor Pinksteren van 2020 is het een bezoeker toch gelukt hem vast te leggen.

We zien nog niet alles van hem want hij dook net zijn hol in, maar het is onmiskenbaar een vos.

De vos heeft een slanke snuit en puntige rechtopstaande oren. De staart is lang, dik en ruig. Hij heeft een schouderhoogte van 35 tot 40 centimeter en staat hoog op de poten. Zijn kop-romplengte bedraagt 50 tot 80 centimeter en zijn staart  32 tot 48 centimeter. Hij weegt zes tot tien, soms vijftien kilogram. Mannetjes zijn over het algemeen groter dan vrouwtjes.
Zijn prooien zijn meestal kleine en middelgrote prooidieren, zoals grote kevers, muizen en andere knaagdieren, konijnen (we zagen al een slachtoffer), hazen, vogels en eieren, regenwormen en egels. Volgens ons is hij ook verantwoordelijk voor het opeten van een dode meerval in 2018. Ook vruchten en bessen (vooral bramen) worden gegeten, evenals aas, placenta’s en afval. Kortom de vos is een omnivoor.