Stichting Naturisme Isabellagriend

Rupsen en vlinders Isabellagriend

NB Informatie op deze pagina heeft veelal als bron de sites van De Vlinderstichting, Wikipedia of andere natuursites.
De foto’s zijn wel bij de Isabellagriend gemaakt.

Phegeavlinder

Stichting Isabellagriend

Links ziet u een Phegea-vlinder, die 6 juli 2010 op het terrein is gefotografeerd. De vlinder wordt ook wel melkdrupje genoemd en is een dag-actieve nachtvlinder uit de familie Arctiidae, de beertjes. Het is een zeldzame vlinder die voornamelijk in Noord-Limburg voorkomt. De meeste kans om hem waar te nemen heb je aan de bosrand van de Reulsberg, onder andere langs de zandverstuiving die zich in de Reulsberg (Horst) bevindt. De moeite waard eens te gaan kijken. Hij vliegt van juni tot augustus. Wij zitten aan de zuidelijke rand van hun vlieggebied. Ze waren met zijn tweeën. Zowel de voor- als de achtervleugel is inktkleurig blauwzwart met enkele half-doorschijnende witte vlekken. Op het achterlijf bevinden zich één of twee gele banden en de antennen hebben witte uiteinden. De spanwijdte van de vlinder bedraagt tussen de 34 en 40 millimeter. Rups  van deze vlinder is ook heel bijzonder. Die lijkt sprekend op een beerrups en is donkerbruin, kort behaard en heeft een rode kop. Kijk bij de vlinderstichting.

Waardplanten van de vlinder zijn Weegbree, Zuring, Walstro, Poaceae, Paardenbloem en andere lage planten. Vlinder is dagactief en heeft een zeer lichte zweefvlucht.

Vals Witje

Het Vals Witje (Siona lineata); dit is een dagactieve nachtvlinder uit de familie Geometridae, de spanners. Dit is de enige witte spannersoort met zwarte aders in Nederland en België en heeft zijn noordelijke areaalgrens in Limburg. Kortom ook dit is een zeldzame vlinder. De foto is eind mei 2009 gemaakt. Verse vlinders zijn vooral bij het borststuk crèmekleurig, maar naarmate ze ouder worden, worden de vleugels steeds witter. Door het verdwijnen van de schubben schijnen de donkere aders steeds meer door de vleugels heen en worden ze ook aan de bovenkant duidelijk zichtbaar.
De vleugels worden in rust vlak uitgespreid maar bij het neerstrijken en bij bloembezoek vouwt de vlinder ze vaak geheel of gedeeltelijk samen boven het lichaam zoals een dagvlinder. Het mannetje heeft een lang slank achterlijf waarvan het uiteinde omhoog is gekromd. Het achterlijf van het vrouwtje, dat van voren breed en aan het uiteinde spits is, is niet gekromd. Het vrouwtje heeft bovendien iets kleinere en hoekigere vleugels.
Waardplanten van het vals witjes zijn onder meer kropaar, geoorde wilg, gevlekt hertshooi en geel walstro. Per jaar vliegt er één generatie van begin mei tot en met eind juni.

‘Rups’ van de Bladwesp

Deze rups is een zogenaamde bastaardrups (zie hieronder ook het volgende item) alhoewel hij al erg veel op een rups lijkt (tussen buik- en borstpoten slechts 1 segment pootloos). Het is de larve van de Bladwesp en in dit geval de Tenthredo marginella. Deze soort is niet algemeen.
De natte graslanden vormen hun habitat en dat is typische voor deze soort. De larven eten van Melissa, Mentha, Ocinum, Lycopus, Weegbree, Tussilago, Origanum. Oorspronkelijke geografische spreiding: Midden-en Zuid-Europa, Noord-Afrika (Tunesië), de Kaukasus, Centraal-Azië, maar blijkbaar komen ze ook steeds meer bij ons en ook bij de Isabellagriend voor. De bastaardrupsen van de bladwespen maken van de bladeren een skelet. Daarbij vreet de bastaardrups het bladmoes aan de onderzijde van het blad weg.

‘Rups’ van de Weidebladwesp

Hé zult u zeggen de weidebladwesp (Nematus Miliaris) is toch geen vlinder. En dan moeten we u gelijk geven. Maar… er is ook geen sprake van een echte rups, maar van een bastaardrups. De weidebladwesp had overigens net zo goed de wilgenbladwesp of peppelbladwesp kunnen heten. Misschien is de Nederlandse naam een foutieve vertaling van de Duitse naam Weidenblattwespe. Het Weiden in die taal echter verwijst niet naar weiden, maar naar de wilg. Of de naam is afgeleid van plattelandslandschappen, waar deze soort veel voorkomt. We weten niet hoe de volwassen insecten er precies uitzien, maar ze hebben veel weg van de Arge-soorten. Ze zijn echter vaak iets groter.
Bij een bastaardrups is er tussen buik- en borstpoten slechts 1 segment pootloos en bij een rups zijn 2 segmenten pootloos. Er zijn bij de bastaardrups dus drie paar borstpoten en zeven of acht paar achterlijfspoten aanwezig. De bastaardrups heeft een bolronde kop met een oog.
Bij oudere bastaardrupsen van de Weidebladwesp zoals op de foto is het oranje over meerdere segmenten verdeeld. Ook de staartpunt is oranjegeel. De kop zelf is zwart. Ze leven aanvankelijk vaak in grote groepen. De blaadjes van de waardplant (ook wilg en populier) worden op de zijkant gezeten opgegeten. Ook deze larven nemen een S-positie in wanneer ze worden bedreigd. Op één boom treffen we soms honderden, zo niet duizenden exemplaren aan. De dieren verpoppen in de grond. Volgens sommige bronnen zouden ze bij ons zeldzaam voorkomen en dat is altijd weer leuk om te weten.

Rups van en de Sint-Jacobsvlinder

De Sint-Jacobsvlinder (Tyria jacobaeae)) is een dagactieve nachtvlinder uit de familie van de beervlinders (ARCTIIDAE).
De vlinder komt niet alleen in Nederland, België en de rest van Europa voor, maar ook in West- en Centraal-Azië en is ingevoerd in Nieuw-Zeeland, Australië en Noord-Amerika om daar jakobskruiskruid te bestrijden.

De sint-jacobsvlinder heeft als leefgebied zandgrond, waar zijn waardplanten, het jakobskruiskruid en enkele andere kruiskruidsoorten voorkomen. De vliegtijd is van begin april tot en met begin augustus.
De periode waarin de vlinders uitkomen is vrij lang, zodat vlinders en rupsen tegelijkertijd kunnen voorkomen. De vlinders vliegen overdag en zijn gemakkelijk te verstoren. Ze komen ´s nachts op licht af.

Rups: juli-september. De opvallende oranjegeel met zwarte (zebra)rupsen zitten overdag open en bloot met enkelen bij elkaar op de waardplant. Ze eten vooral de bladeren en de bloemen; als er erg veel rupsen bij elkaar zitten, laten ze slechts een kale stengel over. De soort overwintert als pop in een losse cocon in de grond.

De giftige bestanddelen van het jakobskruiskruid maken de rups oneetbaar, die daardoor beschermd wordt. De rups raakt het gif dat hij met zijn maaltijden van het jakobskruiskruid binnenkrijgt kwijt door dit in zijn huid op te slaan. Na het vervellen is hij het gif kwijt.

Groot dikkopje

Hier ziet u het groot dikkopje. Het is een algemene standvlinder. De soort vliegt op de zand- en veengronden en in grote delen van de duinen. Op de meeste kleigronden ontbreekt hij en op de Waddeneilanden en in Zuid-Limburg is hij wat schaarser, maar hij is bij ons gefotografeerd. Het groot dikkopje (Ochlodes sylvanus) is een vlinder uit de familie dikkopjes (Hesperiidae). De wetenschappelijke naam van de soort is Papilio sylvanus. De vleugel varieert in lengte tussen de 12 en 15 millimeter en is aan de bovenkant oranje/bruin en aan de onderkant geel/bruin met lichte vlekken. Bij de mannelijke vlinder zijn op de voorvleugels donkerkleurige geurschubben te zien. De vliegtijd is van juni tot en met augustus met jaarlijks één generatie.

Rups van de helmkruidvlinder

In 2007 hebben we deze prachtige rups voor het eerst bij de Isabellagriend waargenomen en gefotografeerd op het helmkruid natuurlijk, dat op vele plaatsen welig groeit.
De tot 50 mm lange rupsen zijn vanaf half juni tot half augustus te vinden. De rups is bleek blauwachtig grijs of witachtig groen met op elk segment drie gele ringen en zwarte vlekjes. De rupsen vreten aan de bloemknoppen, bloemen en onrijpe vruchten en pas als deze niet meer voorhanden zijn wordt aan de bladeren gevreten. Ze verpoppen zich op de grond in een dikwandige cocon. De poppen kunnen meerdere winters overwinteren. De spanwijdte bedraagt tussen de 44 en 50 millimeter. De halskraag van de vlinder is behaard, waardoor het lijkt of de vlinder een kapje op heeft.

De vlinder vliegt van half mei tot half juli. Per jaar komt één generatie voor. Het verspreidingsgebied beslaat heel Nederland, maar in de onderste helft van ons land komen de meeste voor.

Kleine Vuurvlinder

De kleine vuurvlinder is de enige van deze familie die in ons land algemeen voorkomt. De bovenkant is altijd oranje met onregelmatige zwarte vlekken. De onderkant van de achtervleugel is grijsbruin met kleine vlekjes. Het meest onderscheidend kenmerk ten opzichte van andere vuurvlindersoorten is de zeer eenvoudig getekende onderkant van de achtervleugel. De rupsen leven op zuring en duizendknoop. Soms hebben de vlinders een rij blauwe vlekjes langs de achtervleugelrand. Tekening en grootte van de koperrode band op de achter-vleugels kunnen variëren. Het is een snelle vlieger.
Komt vrij algemeen voor, nooit in grote aantallen. Vooral in droge graslanden en heiden.
Het mannetje verdedigt een territorium rondom uitstekende grassprieten of kruiden. Hij voert daarbij felle vliegaanvallen uit tegen andere mannetjes, maar ook tegen andere vlindersoorten.

Koninginnenpage

De afgelopen jaren zien we de Koninginnenpage (Soortnaam: Papilio machaon) steeds vaker bij ons naaktstrand. Deze vlinder is echter niet altijd gemakkelijk te fotograferen omdat hij vrij snel rondvliegt en nergens uitgebreid gaat zitten. Maar … in mei 2008 is het gelukt om een exemplaar 30 seconden te filmen hetgeen hier bij Youtube te zien is. Pas in 2006 konden we eerste foto’s van deze vlinder op de website plaatsen.

De Koninginnepage is een vrij zeldzame standvlinder in Zeeland, Noord-Brabant en Limburg. Ze komt voor in bloemrijke graslanden, akkers, bermen en tuinen. Vleugellengte 32 tot 41 mm. Hij vliegt van eind april tot midden juni en van begin juli tot begin september. De grondkleur van boven- en onderkant van de vleugels is geel. Op de bovenkant van voor- en achtervleugel bevindt zich een doorlopende, brede blauwe band met zwarte randen. De koninginnepage wordt vaak bij heuveltoppen (wellicht dus ook dijken) gezien waar mannetjes en vrouwtjes elkaar ontmoeten (‘hill-topping’).
Eind juli 2008 lukte het om parende koninginnepages op het terrein te fotograferen. U ziet deze foto hieronder tussen anderen. 

Dagpauwoog

De dagpauwoog (Inachis Io)is een zeer algemene soort. De dagpauwoog is een van de bontst gekleurde en bekendste soorten vlinders in Europa. De vlinder komt met uitzondering van het uiterste noorden en zuiden voor in geheel Europa en de gematigde gebieden van centraal Azië tot in Japan. Het grote verspreidingsgebied is te verklaren doordat de voedselplant of waardplant van de rupsen in grote delen van de wereld voorkomt. De rupsen eten vooral brandnetel en soms andere planten als hop.

Toch hebben we deze vlinder pas in 2006 veelvuldig bij de Isabellagriend gezien. Voorkomen: soms in hoge aantallen; bosranden en ook veel in tuinen. Het is een zwerflustige soort.

De vlinder is onmiskenbaar. Geen enkele andere dagvlinder heeft vier opvallende oogvlekken op de bovenkant van de vleugels. Deze ogen dienen om vijanden af te schrikken. De onderzijde van de vleugels is bijna eenkleurig zwartbruin. De vlinder is bijna het hele jaar door te zien. Meestal zijn er 2 generaties. Hij overwintert op zolders en in kelders of holen. Het vrouwtje is iets groter dan het mannetje maar voor de rest zien beide geslachten er hetzelfde uit. De vleugellengte 24-31 mm.

De vliegtijd is van maart tot en met september. Voedselplant is de grote brandnetel op vochtige en beschaduwde plaatsen en van dit alles hebben we (meer dan) voldoende op de Isabellagriend. Ook de rupsen ontwikkelen zich op deze plant en in 2007 zagen we die voor het eerst in grote getale.

Distelvink ofwel distelvlinder

Ditis een trekvlinder (Vanessa cardui) die bij ons op de zogenaamde rode lijst van bedreigde soorten staat. Komt voor op de zogenaamde ruderale (gebrokkelde steen , gruis , puin) terreinen. Kan onze winters niet overleven. Ieder jaar wordt West-Europa dan ook weer vanuit Zuid-Spanje en Afrika opnieuw gekoloniseerd. Meestal slagen ze er niet in de Alpen over te steken en vriezen dood. Deze slachting wordt goedgemaakt door een sterke vermeerdering in het zuiden. In goede trekjaren kan hij overal worden gezien. Sommige jaren zien we de vlinder dus niet. Komt er Sahara-zand ons land in dan heel vaak ook veel distelvlinders.

De vlinder is onmiskenbaar. Vleugellengte 26-30 mm. De vlinder overwintert (maar niet bij ons). De zwarte driehoekige vlek in de punt van de voorvleugel onderscheidt de distelvlinders van de parelmoervlinders. Aan de onderzijde van de achter-vleugels zitten 5 oogvlekken.
De vliegtijd is van mei tot oktober. Ze doen zich te goed aan nectarplanten, zoals de vlinderstruik, koninginnenkruid (zie foto) en braam. Overigens ook op de Isabellagriend hebben we tussen de bosjes een paar grote vlinderstruiken staan. Het imago van de distelvlinder drinkt graag nectar van allerlei bloemen. In tegenstelling tot de verwante Atalanta komt de distelvlinder echter niet op rottend fruit.

Atalanta

De Atalanta (Vanessa atalanta) is ook een trekvlinder die bij ons op de rode lijst staat van bedreigde soorten en die alleen zachte winters kan overleven. Vanuit Zuid-Europa trekken de vlinders ieder jaar richting noorden. In goede trekjaren kan deze vlinder vrijwel overal worden gezien. In september kunnen groepjes trekkende atalanta’s worden waargenomen, vooral langs de kust.
De atalanta is gemakkelijk te herkennen: een zwarte vlinder met twee rode banen op zijn vleugels en bovenaan wat witte vlekken.
Atalanta’s kun je in je tuin lokken door in de herfst wat rottend fruit neerzetten. Dat vinden ze heerlijk!
De rupsen leven op brandnetel, meestal in een samengesponnen blad. De eitjes worden afzonderlijk afgezet op de onderzijde van de bladeren. De atalanta wordt ook wel admiraal, schoenlapper of nummervlinder genoemd.

Bont zandoogje

Het bont zandoogje (Pararge aegeria) is een bruine vlinder met kleine gele vlekjes die normaliter leeft in loofbossen, maar ook bij ons naaktstrand komt deze vlinder voor. Dat zal wel komen door de bossages langs het water.

Het mannetje zit vaak op kleine zonnige plekjes te wachten op een vrouwtje. Die zonnige plekjes zien er net zo uit als zijn eigen gele vlekjes, zodat je hem soms bijna niet ziet zitten. Als er een ander mannetje op zijn plekje komt, jaagt hij hem snel weg. Dan vliegen ze om elkaar heen hoog de lucht in. Het gedrag is afhankelijk van de temperatuur: bij lage temperatuur worden de zonneplekjes energiek verdedigd omdat ze de ideale plaatsen zijn voor het zonnen en het paren; bij hogere temperaturen vliegen meer mannetjes rond op zoek naar wijfjes. Mannetjes met een bleekbruine vleugelkleur zijn overwegend territoriaal, terwijl mannetjes met donkerbruine vleugels vaker patrouilleren.
Tussen de geslachten is weinig verschil, maar de mannetjes zijn iets kleiner en hebben rondere vleugeltippen. Er zijn in goede jaren drie generaties en de vlinders leven gemiddeld drie weken. De rups leeft op diverse grassoorten. Mannetjes hebben een vagere tekening. Opvallend zijn verder de oogvlekken met witte kern.

Gehakkelde Aurelia

Deze vlinder zien we vrij regelmatig bij de Isabellagriend. De vlinder is vooral bekend vanwege een duidelijk herkenbaar witteken op de onderzijde van zijn achtervleugel. Verder zijn de gekartelde vleugels ook kenmerkend. Dit teken lijkt sterk op de letter C.
De soort is twee keer per jaar te zien; van begin april tot half mei en van half juni tot eind oktober. In de winter verstopt de gehakkelde aurelia zich tussen bladeren op de grond.
Het vrouwtje legt haar eieren elk apart op het blad van de brandnetel of de hop. Uit de eieren komen hele mooie rupsen: zwart met oranje stekels en een witte vlek. Misschien kun je de rups van de gehakkelde aurelia zelf ook vinden. Kijk in juni maar eens goed naar de brandnetels rondom de Isabellagriend!

Groot Avondroodrups

In augustus 2005 kruiste deze rups ons pad. we zagen meteen dat dit een andere pijlstaart (duidelijk een staartje deze keer) was dan die hieronder van de Teunisbloem. We hadden hem ook spoedig gevonden via de database van het vlindernet. Het is de rups van het Groot Avondrood (Deilephila elpenor). Ze kunnen 85 mm groot worden, maar dat was deze nog niet helemaal. Zonder of met maar een rudimentair staartje was het de rups van het Klein Avondrood geweest en dan was het een meer zeldzaam exemplaar geweest. Groot avondrood komt vrij algemeen in Nederland voor.

In de zomer van 2007 zijn er nogal wat prachtige foto’s gemaakt van de rups, die ook in verschillende variëteiten blijkt voor te komen. Volgens de Vlinderstichting zit dit als volgt in elkaar: “Voordat een rups volgroeid is maakt hij een keer of vijf een vervelling door en sommige soorten zien er na elke vervelling weer een beetje anders uit. Dit maakt het determineren van rupsen vaak erg lastig, vooral omdat in boeken vaak maar 1 foto afgebeeld wordt. Bij de rupsen van het groot avondrood is het bovendien nog zo dat ze kunnen voorkomen in een groene variant en in een bruine variant”.

Grofweg gezegd ziet u zo hieronder verschillende varianten, die we met te vergroten foto’s weergeven.

Groot Koolwitje

Sedert het gebruik van pesticiden op koolvelden is de soort minder talrijk maar nog steeds vrij algemeen. De zwarte vlek op de bovenkant van de voorvleugelpunt loopt langs de vleugelrand naar beneden tot voorbij de zwarte vlek op het midden van de voorvleugels. Het vrouwtje heeft 2 zwarte vlekken op de bovenkant van de voorvleugel, het mannetje geen. De rups leeft op meer dan 60 soorten kruisbloemigen, bij voorkeur gekweekte kool. De rups is geel met zwarte vlekken. Diverse soorten sluipwespen vormen een natuurlijke vijand van deze soort. De eitjes zijn geel en flesvormig en zitten in groepen bijeen aan de onderkant van koolbladeren. Het groot koolwitje komt in alle biotooptypen voor en vertoont soms een trekgedrag.

Icarus blauwtje

Dit vlindertje zien we vrij regelmatig bij de Isabellagriend in hun vliegtijd van begin mei tot begin oktober. Het is een zeer algemene standvlinder van graslanden, dijken en bermen. Een vrij honkvaste soort.

Van de rups hebben we geen foto. Deze kan tot 15 mm groot worden en dat is natuurlijk maar vrij klein. Het lijf is helder groen met een donkerder groene ruglijn en een witachtige streep aan de zijkanten. Stigma’s wit; beharing lichtbruin op de rug en wit op de flanken. Halfwas rups overwintert laag tussen plantenafval. De rups groeit in nazomer en vroege herfst en in het volgende voorjaar; de andere generatie(s) in de zomer. De rups verpopt vrij op de bodem.

Teunisbloempijlstaartrups

Deze grote rups van ongeveer 7 cm hadden de bezoekers van ons naakstrand in 2004 nog nooit eerder gezien. Het duurde dan ook even voor we er achter kwamen welke naam deze had en zelfs de vlinderstichtiung moest hiervoor gevraagd worden. De Proserpinus proserpina (latijnse naam) was van slechts enkele waarnemingen bekend van vóór 1900. Nu is het een Midden-Europese soort die zich de laatste jaren in onze richting uitbreidt: sinds 1996 weer vangsten in Zuid-Limburg op diverse locaties.
Overigens de kop van deze rups zit aan de rechterkant en dus niet onder dat rare bolletje. Op die plaats zit bij deze soort rupsen vaak een pijl. De voedselplant is het wilgenroosje en deze plant is bij de Isabellagriend volop aanwezig. De vlinder vliegt in de schemering en is een nachtvlinder.
We zijn er overigens een beetje trots op dat bovenstaande foto een tijdje op de site van de vlinderstichting is opgenomen. Als u meer informatie wilt, ga dan eens kijken op het Vlindernet en vul bij zoek ‘teunisbloempijlstaart’ in. In 2006 is deze rups opnieuw waargenomen.

Wilgenhoutrups

Tja, en toen werden we opmerkzamer op allerlei beestjes en zo werd ook deze rups ontdekt waarvan we vrij snel de naam en verdere achtergrond konden achterhalen. De Cossus cossus (latijnse naam en behoort tot de familie van de cossidae = houtboorders) komt verbreid over het hele land op allerlei grondsoorten voor. Vooral in vochtige omgeving is de wilgenhoutrups een gewone soort. Rups komt van juli – winter – mei voor dicht onder de bast of in aangetast hout en overwintert 2 tot 4 keer.De rups is in de late zomer te vinden op paden als hij zoekt naar een verpoppingsplaats. Verpopt in een stevige aardcocon direct onder het aardoppervlak of in een boom in een zaagselcocon. Rupsgaten laag in de stam en te herkennen aan het ‘zaagsel’. De rupsen verspreiden een zure geur. Rups kan een bruine vloeistof wegspuiten over wel 40 cm. Dit is ook in ons land waargenomen. Soms schadelijk op wilg en populier. In koude tijden is de rups inactief. Rups tot 100 mm lang. Lijf is glimmend purperrood, bleker aan de flanken; kop, nekschild en stigma’s zijn glanzend zwart.

Bruin blauwtje

Hier rechts een Bruin Blauwtje. In Nederland komt het bruin blauwtje het meest aan de kust, in het midden van het land en in Zuid-Limburg voor. In Nederland is er nog een blauwtjes soort, namelijk het Icarusblauwtje, die in hetzelfde habitat leeft en ook vaak op ons terrein is te zien. Deze wordt weleens verwisseld met het bruin blauwtje. De vrouwtjes van beide vlindersoorten lijken erg op elkaar en als ze aan het vliegen zijn is het verschil niet zichtbaar. Het icarusblauwtje heeft aan de onderzijde van de voorvleugel een duidelijke wortelvlek die het bruin blauwtje mist. Ook ligt de bovenste van de twee vlekjes aan de voorrand van de achtervleugel bij het bruin blauwtje dicht tegen de bovenste rij van vlekjes, terwijl die bij het icarusblauwtje een stuk lager ligt.

Zuringuil.

Deze rups rechts, een mooi gekleurd exemplaar, is  de Zuringuil. De Zuringuil (Acronicta rumicis) is een nachtvlinder uit de familie van de nachtuiltjes. Het is een vlinder die algemeen voorkomt nabij de duinen en zandgrond in het binnenland, maar ook daarbuiten in allerlei open gebieden, tuinen en parken. De rups is tot 38mm groot en zwart met roodachtig bruine haarborstels; over het midden van de rug een rij rode vlekjes met aan weerszijden een rij grotere, witte vlekken; onder de lijn van de witte spiracula een band van rode en oranje vlekken; kop zwart met bruine tekening. Ze is te zien in de maanden juni-oktober en overwintert als pop in een cocon in de strooisellaag. Haar habitat is op allerlei open gebieden, waaronder graslanden, natte weiden, heiden, parken en tuinen en is gek op diverse kruidachtige en houtige planten, waaronder zuring, weegbree, hop, duinroos, wilg, braam en meidoorn.

Landkaartje.

Het landkaartje (Araschnia levana) is een dagvlinder uit de familie Nymphalidae. In 2016 waren er heel wat op het terrein te zien.
De onderkant van de vleugels – hier links goed te zien – is een netwerk van lijnen en daar dankt deze vlinder zijn naam aan. Bijzonder aan deze vlinder is dat er twee vormen zijn. De eerste generatie in het voorjaar is oranjerood met zwarte vlekken terwijl de zomergeneratie zwart is – zie hier rechts – met een witte band en rood-oranje streepjes op de bovenvleugel. De voorjaarsgeneratie is met een voorvleugellengte van 16 tot 18 millimeter ook kleiner dan de zomergeneratie met 17 tot 21 millimeter. Door het aderwerk op de onderzijde kan de zomervorm niet verward worden met andere vlinders zoals de kleine ijsvogelvlinder of de voorjaarsvorm met parelmoervlinders. De verschillende vormen had Carolus Linnaeus in 1758 als twee verschillende soorten beschreven. De voorjaarsvorm als Papilio levana en de zomervorm als Papilio prorsa.De seizoensdimorfie wordt veroorzaakt door de diapauze die de overwinterende poppen van de voorjaarsvorm ondergaan.
De waardplant van de rupsen is de grote brandnetel. En van deze plant hebben we er genoeg op het terrein.

Citroenvlinder.

De spanwijdte van de vleugels van de citroenvlinder is tot 55 millimeter, de mannetjes zijn meer geel, de vrouwtjes meer groen van kleur maar dit is in het veld niet altijd even eenvoudig te zien. Ze vallen zowel in vlucht als bij bezoek aan bloemen goed op. De vrouwtjes zijn ook veel bleker van kleur en worden soms verward met de witjes. Beide vlinders (mannetje-vrouwtje) zijn te herkennen aan een oranje stip op iedere vleugelpunt. De vlinder is uitstekend gecamoufleerd en het hele lichaam is hierop aangepast. De onregelmatige oranjebruine vlekjes lijken sprekend op de brandgaatjes in bladeren. De vleugel-adering is lichter en duidelijk te zien en lijkt op de nerven van een blad. De donkere uiteinden van de adering op de vleugelrand lijkt op de bladrand en zelfs kleine stekeltjes worden nagebootst. De citroenvlinder komt voor in grote delen van Noord-Afrika, delen van Azië en in grote delen van Europa, ook in Nederland en België. De vlinder is een zwervende soort die overal kan worden aangetroffen maar vlak voordat er gepaard moet worden zoeken de vlinders de waardplanten op.

Boomblauwtje.

Het boomblauwtje (Celastrina argiolus) is een vlinder uit de familie Lycaenidae, de kleine pages, vuurvlinders en blauwtjes.
De voorvleugellengte van de vlinder bedraagt tussen de 13 en 16 millimeter.
De vleugels van mannetjes zijn aan de bovenzijde vrijwel geheel fel lichtblauw met een smalle zwarte rand, terwijl de vrouwtjes een brede zwarte band langs de voorvleugels hebben. De franje is wit, bij de voorvleugel zijn er enkele zwarte onderbrekingen. De vlinder is met name goed te herkennen aan de zilverwitte tot lichtblauwe onderzijde van de vleugel waarop zwarte stippen te zien zijn. Verder vliegt deze vlinder niet of nauwelijks dicht bij de grond (beneden 50 cm hoogte), dit in tegenstelling tot vele andere blauwtjes.
Het eitje is klein een afgeplat wittig bolletje en heeft een honingraatstructuur. Eitjes zijn bijzonder lastig te vinden.
De rups is geelachtig groen, met een variabele rode tekening, al dan niet met roze-wit, langs de rand en als rug-streep. Deze tekening ontbreekt echter vaak. Het lichaam is bedekt met korte witte haartjes. De kop is zwartbruin. De rups wordt 14 tot 17 mm lang.
De waardplanten van de vlinder zijn diverse struiken, onder andere klimop, hulst, vlinderstruik, struikhei, vuilboom, kornoelje, grote kattenstaart, wegedoorn en kardinaalsmuts.

Spiegeldikkopje

Het spiegeldikkopje (Heteropterus morpheus) is een vlinder uit de familie Hesperiidae, de dikkopjes.
Het Spiegeldikkopje komt volgens de Vlinderstichting alleen nog voor in de Limburgse en Brabantse Peel. De vlinder is in Nederland kwetsbaar en in Vlaanderen wordt hij als uitgestorven beschouwd (de laatste bekende voortplanting dateert van 1995). Hij staat op de Nederlandse Rode lijst dagvlinders. Mogelijk is dit exemplaar uit de Peel afkomstig en was hij daarom gehavend en beschadigd. Het is uiterst bijzonder dat hij op 23 juli 2016 bij ons op het terrein kon worden gefotografeerd.
De vleugel varieert in lengte tussen de 15 en 18 mm en heeft opvallende witte vlekken op de onderkant van de achtervleugel en aan de bovenzijde bruin gele vlekken. De voelsprieten zijn geel-zwart geringeld. Als rups overwintert hij half volwassen en wordt hij voornamelijk aangetroffen op verschillende hoog groeiende grassen. Typische waardplanten zijn dan ook kortsteel, hennegras en pijpestrootje. Als imago is hij erg herkenbaar door zijn manier van vliegen die aan het hippen van een mus doet denken. De vliegtijd is van juni tot en met augustus.

Kleine vossen

In 2014 zagen we opvallend veel Kleine Vossen op het terrein. Dit is wellicht ook door het voorjaar een vlinder die we andere jaren nog nooit of altijd over het hoofd hebben gezien. Het mannetje van de kleine vos verdedigt vanaf de middag een territorium vanaf een beschutte zonnige plek in de buurt van brandnetels. Het mannetje vliegt naar elk voorbijvliegend dier dat mogelijk een kleine vos zou kunnen zijn. Soortgenoten mannetjes jaagt hij weg en achtervolgt het soms lang in een rondcirkelende vlucht. Als het mannetje langere tijd geen succes heeft, verhuist hij naar een nieuw territorium – gemiddeld gebruikt een mannetje twee territoria per dag. Een vrouwtje wordt net zolang achtervolgd tot het gaat zitten. Dit kan lang duren (uren) en soms wordt een vrouwtje door meerdere mannetjes gevolgd. Het mannetje gaat achter het vrouwtje zitten, en betast haar met de antennes. De paring duurt de hele nacht en vindt plaats onder een blad van een brandnetel. De kleine vos gebruikt een grote verscheidenheid aan planten als nectarplant, zoals heel-blaadjes, watermunt, leverkruid, paardenbloem en vlinderstruik. Op het terrein zitten ze veel op knoopkruid.

Oranje Luzernevlinder.

De oranje luzernevlinder (Colias crocea) is een dagvlinder uit de familie Pieridae, de witjes. De bovenkant van de vleugels is oranjegeel. Langs de achter rand bevindt zich zowel op de voorvleugel als op de achtervleugel een brede donkere band. Oranje luzernevlinders komen in het voorjaar, in mei en juni vanuit het zuiden ons land binnen en planten zich hier voort. De nakomelingen van die binnentrekkers verschijnen in augustus en ook deze planten zich weer voort. De oranje luzernevlinder komt voor op klaver- of luzernevelden. De rupsen leven ook op talrijke andere soorten van de vlinderbloemigen. Het is een Midden- en Zuid-Europese soort die als trekvlinder ook noordelijker kan worden aangetroffen. In Nederland kunnen de aantallen per jaar heel verschillend zijn. De vliegtijd is van maart tot en met november.

Klein Geaderd Witje.

Het klein geaderd witje (Pieris napi) is een dagvlinder uit de familie Pieridae, de witjes. De voorvleugellengte van 20 tot 24 millimeter. De grondkleur van de vleugels is wit, op de onderzijde is de onder-vleugel en de vleugelpunt van de voorvleugel soms geel. De aders zijn aan de onderkant van de vleugels groengrijs bestoven, dit is echter in de zomer aanzienlijk minder duidelijk dan in het voorjaar. De soort is dan niet makkelijk te onderscheiden van het klein koolwitje. Aan de bovenzijde van de voorvleugel heeft het mannetje een zwartige stip, het vrouwtje twee. De vlek aan de vleugelpunt (apex) is gelobd, en loopt naar beneden toe druppelsgewijs af.

Plakker.

De plakker (Lymantria dispar) is een nachtvlinder uit de familie van de donsvlinders (Lymantriidae), die in Nederland en België een gewone soort is, maar die in het noordoostelijke deel niet voorkomt. We troffen hem niet op het terrein aan, maar op een boom langs de weg die er langs loopt. De vlinder komt vooral voor op de warmere plaatsen in open eikenbossen.
De spanwijdte bedraagt tussen de 32 en 55 millimeter. De vrouwtjes zijn een stuk groter dan de mannetjes, maar vliegen niet of nauwelijks. De mannetjes hebben zeer sterk geveerde antennen. De vrouwtjes hebben witte tot geelwitte voorvleugels met donkere zigzaglijnen. De voorvleugels van de mannetjes zijn bruin. Het vrouwtje zet de bruine tot geelachtige eieren af in bastspleten. Het legsel wordt afgedekt met een dikke laag geelbruine haren van haar achterlijf. De volledig ontwikkelde rupsen overwinteren in de eitjes. In het vroege voorjaar worden de jonge rupsjes met behulp van spinseldraden verspreid door de wind.
De rupsen kunnen tot 7 cm lang worden en zijn zeer variabel van kleur. Meestal hebben ze een grijze grondkleur en een geelachtige lijntekening. Op de eerste vijf segmenten zitten meestal twee blauwe en op de achterste zes twee rode rugwratten. De kop is licht geelbruin met op de voorzijde twee zwarte strepen. Ze verpoppen in een los spinsel in bastspleten van een boom of onder een steen.