Stichting Naturisme Isabellagriend

Vogels Isabellagriend

Vogels Isabellagriend

Knobbelzwanen

De homepage van onze vorige website werd gesierd door een zwemmende knobbelzwaan. Ze zijn dan ook vaak te zien en broeden elk jaar in het gebied of in de buurt. Helaas zijn er niet elk jaar jongen of sneuvelen er toch verschillende. In 2020 hadden we 5 jongen (zie hiernaast; een zit achter de ander) en daar was er op het eind van 2020 helaas nog maar 1 van over. We hebben echter betere jaren gehad.
In 2010 hebben we vanaf april tot de herfst een broedend paar van nabij kunnen volgen en nadat hun 7 eieren waren uitgekomen ook de wijze waarop ze de (uiteindelijk) 6 jonge zwanen hebben verzorgd tot aan hun volwassenheid. Dit heeft geleid tot vele foto’s en filmpjes. Hieronder een voorbeeld, zie ook “Zwaan presenteert haar kroost”en “zelf eten zoeken” op het youtube kanaal van Stichting Isabellagriend.

Knobbelzwanen hebben een gemiddelde broedtijd van 38 dagen. We stelden toen overigens al vrij vroeg vast dat er kleurverschil was tussen de jonge zwanen. Twee waren duidelijk geel en zijn later wit geworden, terwijl 4 duidelijk grijs waren en later nog donkerder werden. Dit komt omdat er in Nederland twee soorten knobbelzwanen zijn te weten Hollandse en Poolse. Zie je derhalve witte en grijze jongen bij een overigens wit zwanen paartje, dan is een van de ouders van Poolse herkomst en de ander van Hollandse. Na ongeveer een jaar worden de donkergrijze jonge zwanen wit.
Zwanen behoren evenals de hoenderkoeten, ganzen en eenden tot de orde Anseriformes. Binnen deze orde behoren alle zwanen tot het geslacht Cygnus. Over de hele wereld verspreid komen slechts 7 soorten zwanen voor. Van oudsher komt een van deze soorten, de knobbelzwaan, als wilde vogel in Nederland voor. Maar boeren hadden een grote hekel aan knobbelzwanen op hun weilanden. Zij laten namelijk nog al stevige uitwerpselen achter. De knobbelzwaan werd zo erg vervolgd (bejaagd) dat de soort in Nederland helemaal werd uitgeroeid. De soort kwam alleen nog in gevangenschap voor. Doordat er van deze gevangen exemplaren wisten te ontsnappen zag de knobbelzwaan toch weer kans om in Nederland weer in het wild te broeden. Uit deze ontsnapte vogels is weer een totaal nieuwe wilde populatie ontstaan. De knobbelzwaan is dus wel een inheemse soort maar de vogels die nu in Nederland voorkomen hebben allemaal tamme voorouders.

Zwarte zwanen

Zwarte zwanen komen ook regelmatig het terrein bezoeken. Ze broeden op andere tijden dan knobbelzwanen. 3 Augustus 2015 heeft een zwart zwanenstel in de plas een nest van meerkoeten in beslag genomen en is aan het broeden geslagen. Ze hadden op deze dag minstens 1 ei zoals we vaststelden. Zwarte zwanen zijn duidelijk minder schuw en dit stel was echt een bedelpaar. Aan de botenkant kende men dit paar al langer.
De zwarte zwaan is bijna volledig zwart met enkel witte handpennen. De rozerode snavel is lichter op de punt. De poten zijn grijs. De zwarte zwaan heeft van alle zwanen de langste hals: meer dan half zo lang als de totale lichaamslengte. Hij wordt 110 tot 140 centimeter lang en tot zes kilogram zwaar. De geslachten zijn qua uiterlijke kenmerken gelijk.
De zwarte zwanen vormen rond hun tweede levensjaar een koppel voor het leven. De kuikens worden door de ouders samen opgevoed. De zwarte zwaan is niet honkvast. Bij zwerftochten kan hij afstanden van honderden kilometers overbruggen en zorgt zo ook zelf voor zijn verspreiding. Kenmerkend is de klagende, trompetterende roep bij hun nachtelijke vluchten. Zijn voedsel bestaat uit grassen en waterplanten. Dit dier is een zwerfvogel. In Europa is het eigenlijk een exoot en broeden ze het hele jaar door. Ze broeden 5 tot 6 weken. 9 Juni 2016 kwamen ze of een ander stel met zes jongen op bezoek. Bekijk de video. Enkele dagen daarvoor hadden ze volgens de krant de binnenstad onveilig gemaakt.

Torenvalk (‘Gerrit’)

De hele zuidwestkant van het terrein was in juni 2009 het jaaggebied van een torenvalk. Hij of zij ving van alles op korte afstand van onze bezoekers als die maar niet al te veel bewogen als hij “biddend” boven hen hing. Het was een prachtig schouwspel. We hebben hem de naam Gerrit gegeven naar aanleiding van het liedje: “Ik ben Gerrit en ik steel als de raven, ik ben een boef in de ogen der braven”, omdat hij hier in zijn of haar gedrag wel iets van weg had. 

De torenvalk (Falco tinnunculus) is een vogel uit de familie van valken (Falconidae). Een andere naam is ook roodvalk of avondvalk.
Het voedsel bestaat voornamelijk uit kleine zoogdieren en insecten, bijvoorbeeld muizen en kevers. Ze bouwen zelf geen nest, maar kiezen vaak een oud kraaiennest als nestplaats. Ook gebruiken ze graag nestkasten van waar ze zicht hebben op een open ruimte waar ze kunnen speuren naar voedsel.

Roger Linden legde enkele karakteristieke handelingen vast op foto’s, zoals hieronder te zien is: het zogenaamde ‘bidden’; op de prooi afduiken en met de muis wegvliegen. Klik erop om ze groter te zien.

Nachtegalen

Je ziet ze bijna nooit op het terrein, maar wat zingen ze prachtig. Al enkele jaren doen verschillende nachtegalen vooral ’s ochtends erg hun best om zich in het Ooibos en het zogenaamde terrein van Tummers te laten horen. Wist u dat ons terrein en omgeving nog maar een van de weinigen gebieden in Limburg is waar u de nachtegaal in het bronsgroen (eiken)hout in Limburg kunt horen. Eiken tussen haakjes omdat die bij ons niet voorkomen. Om deze reden hebben we hun gezang ook onder de impressie-clip van ons terrein geplaatst. Ze zijn er van april tot juli. Ze zingen luid met pauzes, met fluittonen, trillers, crescendo’s enzovoort.  In mei 2018 namen we onderstaand gezang in het Ooibos op het terrein op.

De nachtegaal houdt zich het liefst op in dicht struikgewas en is dan ook moeilijk te ontdekken. De foto van deze vogel hiernaast is door Gé Driessen, onze “hoffotograaf”, met veel geduld en de nodige voorzichtigheid gemaakt. De foto hiervoor hebben we ‘geleend’. De bovendelen van de vogel zijn warm bruin gekleurd met een oranjebruine staart en stuit. De onderzijde is grijsbruin met een iets lichtere keel.
Nachtegalen broeden vanaf half mei. Ze hebben jaarlijks één legsel met 3-7 eieren. Broedduur 13-14 dagen. Nesten worden laag op de grond gemaakt in struikgewas en vaak tussen brandnetels of takken die op de grond liggen. De jongen blijven 12-13 dagen op het nest zitten. Als ze zijn uitgevlogen worden ze nog tot 2 weken door de ouders verzorgd. Vanaf half juli trekken ze weer naar het zuiden. Half augustus zijn de meeste weg.

Krakeend

De krakeend (Anas strepera, vroeger bekend als Mareca strepera) is een vogel uit de familie van Anatidae (Zwanen, ganzen en eenden). Het is duidelijk waarom de Krakeend zo heet. Het is namelijk een voorbeeld van een vogel die zijn “naam” roept.

Een volwassen krakeend is circa 50 centimeter groot en is daarom ongeveer even groot als de wilde eend. Het dier geeft de voorkeur aan binnenwateren. Het mannetje is grijs met een zwart achterwerk en heeft kastanjebruine vleugeldekveren. Het vrouwtje is geelachtiger van kleur.
In Nederland en België komt de krakeend algemeen voor. Op het terrein zien we ze alleen in het voor- en najaar. In de zomer zijn ze vooral aan te treffen in Oost-Europa, ‘s winters voornamelijk in Zuid-Europa, het Verenigd Koninkrijk en Ierland. In Noord-Griekenland zijn de dieren het hele jaar door aanwezig.

Wilde eend

De wilde eend (Anas platyrhynchos) is een veelvoorkomende soort in de gematigde en subtropische wateren in Noord-Amerika, Azie en Europa. De vogel komt ook wel voor in Centraal-Amerika en het Caribisch gebied. In Europa is de wilde eend een van de meest voorkomende soorten eenden. De lengte bedraagt 51 tot 62 cm en de spanwijdte 91 tot 98 cm. Een volwassen eend weegt tussen de 700 en 1500 gram. Gemiddeld wordt een wilde eend vijftien jaar oud. De oudst bekende wilde eend werd negenentwintig jaar. De wilde eend is de stamouder van de gedomesticeerde tamme eend.

Het mannetje (de woerd) is kleurrijk met een glanzend groene kop, een witte halsband, een kastanjebruine borst en gekrulde zwarte veren aan de staart. Het donkerbruine vrouwtje en de eendenkuikens (pullen) hebben een schutkleur. De woerd en het vrouwtje hebben 1 ding gemeen: de blauw-paarse vleugelspiegel. Sommige dieren zijn (gedeeltelijk) wit; door ras-veredeling is de schutkleur vervangen door een geselecteerde kleur. De witte delen bij de volwassen dieren waren geel toen ze nog eendenkuiken waren.

Het vrouwtje bouwt een nest in het lange gras, in een knotwilg of in een holte. De acht tot tien eieren broedt ze uit in 4 weken. De wilde eend komt voor in stad en platteland in vijvers, moerassen, meren, sloten in akkers en weilanden en natuurlijk ook veel bij de Isabellagriend.

Koekkoek

De koekoek (Cuculus canorus) is een vogelsoort, het bekendste lid van de familie Cuculidae. Op de foto ziet u het jong van een koekkoek. Grotere exemplaren hoor je wel en krijg je, als je wat op let, ook in beeld. Het is een vogelfamilie die verspreid is over de hele wereld. Ze is vooral bekend vanwege het feit dat het een broedparasiet is. Het vrouwtje legt haar eieren in nesten van andere vogelsoorten en laat de jongen door die andere soort verzorgen.

De koekoek dankt zijn naam aan de opvallende roep van het mannetje dat ongeveer klinkt als een hol aanhoudend “goe-koeh geluid, waarbij het begin op iets hogere toon is dan het eind. Ook in veel andere talen werd de roep in de naam geïntegreerd: Duits (kuckuh), Frans (Coucou), Russisch (kykywka [Koekoesjka]), Engels (Cuckoo), Pools (Kukulka) en Latijn (Cuculus canorus).
De koekoek is een middelgrote, slanke vogel met spitse vleugels en een lange afgeronde staart. Met een lengte tussen 26 en 32 centimeter is de koekoek ongeveer zo groot als een houtduif. Door de spitse vleugels lijkt de koekoek in de vlucht nogal op een sperwer. Het vliegt met gelijkmatige vleugelslagen waarbij de vleugels nauwelijks boven het lichaam worden geheven. De naar beneden gebogen snavel wordt hierbij naar voren gestrekt.

De koekoek zit op het terrein vaak in en op takken van de wat hogere bomen waarbij de vleugels iets neerhangen en de staart iets wordt geheven. Daardoor lijkt de vogel nogal gedrongen en kortpotig. De koekoek is een zogenaamde zygodactyle vogel, wat inhoudt dat twee klauwen naar voren wijzen (overeenkomend met teen 2 en 3) en de andere twee naar achteren (overeenkomend met teen 1 en 4).

Grauwe Ganzen

De grauwe gans (Anser anser) is de in Nederland meest voorkomende grijze gans. De ganzen zijn soorten uit de familie der Anatidea. Tijdens de vogeltrek – alleen dan zien we deze vogels wel eens op de Isabellagriend – vliegen de vogels in een V-vorm, waarbij ze het bekende gak-gak roepen. Van deze soort stamt de tamme Anser anser domesticus af.

Tegenwoordig zijn Grauwe Ganzen in ons land in zeer veel gebieden als broedvogel waar te nemen op plaatsen waar maar een geschikte biotoop voor hen aanwezig is. Natuurlijk vooral in de bekende gebieden als de Oostvaardersplassen, de Gelderse Poort, Land van Saeftinghe, Friesland, Noord-West-Overijsel en de Biesbosch, maar bijvoorbeeld ook in de polder Waal en Burg en de natuurgebieden De Muy en De Geul op Texel en bij Tienhoven in de gemeente Maarssen.

Houtduif

Bij de bramen ontdekten we in 2009 ook het nest met een broedende houtduif (foto rechts) en enige tijd later het jong  natuurlijk. De houtduif (Columba palumbus) is in België en Nederland de grootste duivensoort.

Houtduiven broeden het liefst in bossen, parken en tuinen, maar omdat ze tegenwoordig meer en meer in stedelijke gebieden voorkomen, maken ze niet zelden gebruik van gebouwen. Ze bouwen slordige nesten van takken en het is geen uitzondering dat een ei na het leggen meteen door de losjes gegroepeerde takken op de grond valt. Houtduiven leggen 2 eieren. Na het uitbroeden voederen zowel man als vrouw de jongen. Juvenielen missen in de eerste zomer de kenmerkende witte hals-vlek.

Hoewel houtduiven kunnen overkomen als dommige en sullige vogels, zijn ze op hun foerageer- en nestplaats tamelijk agressief. Ze kunnen met hun vleugels rake klappen uitdelen aan soortgenoten, maar ook aan bijvoorbeeld eksters. Er vallen tijdens deze schermutselingen echter nooit doden.

Rietgors

De rietgors (Emberiza schoeniclus) is een lid van de gorzenfamilie, zaadetende zangvogels van moerasgebieden met riet en struiken. Het verspreidingsgebied omvat een groot deel van Europa en Azie.

Het vrouwtje van de rietgors is een onopvallende vogel, met een lichtgekleurde onderzijde met donkere lengtestrepen. De bovenzijde is bruin met zowel lichte als donkere strepen. Het mannetje is in het zomerkleed goed te herkennen aan de zwarte kop met de witte halsband. De zang van het mannetje bestaat uit een herhaling van drie tonen die lang aan kan houden en meestal voorgedragen wordt vanaf een hoge zangpost.

Deze vogels zie je bij ons vaak kwetteren in de topjes van hoog gras. Ze lijken minder schuw te worden. Dit exemplaar heeft bovendien een rupsje in de bek.
De vogel nestelt in laag struikgewas en brengt twee of drie nesten per jaar groot. Deze nesten kun je ook bij de Isabellagriend vinden. De rietgors zwerft in de winter soms rond in het gebied waar de vogel ook gebroed heeft, maar trekt meestal naar het zuiden. Vogels uit het noorden van Europa overwinteren soms in Nederland.

Kleine Karakiet

Als je op het Adtepad – een struinpad aan de noordwestzijde van ons terrein – loopt, kun je daar mooie riviernatuur bekijken. Je kunt er echter ook vogels beluisteren. In het riet hoor je dan naast de kikkers vaak een soort geknoter van vogels, maar zien doe je ze bijna nooit. Het is ons in juni 2017 gelukt zo’n knoteraar te filmen, terwijl hij of zij ook geluid maakt. Het blijkt de Kleine Karakiet te zijn. We hebben daarvan dit filmpje op Youtube gezet: Kleine Karakiet.

De kleine karekiet is een echte moerasbewoner. De markante, krassende, staccato zang (met altijd een “krr-krr-kiet-kiet-kiet“-achtige strofe) is te horen in de meeste rietstroken. De voorkeur van deze onopvallende bruine vogel gaat uit naar rietlanden, die met de stengels in ondiep water staan. En daaro zit hij bij ons ook. In goede broedgebieden, zoals de laagveenmoerassen in Nederland, kunnen kleine karekieten in kolonies broeden.

Grasmus

Dit is een zangvogel uit de familie van zangers (Sylviidae). In de lente toont het mannetje zich erg opgewonden, terwijl hij van tak tot tak vliegt, zijn staart uitspreidt en het kuifje opricht. Zijn zang is afwisselend met noten die de vogel haastig uitstoot, wanneer hij trillend uit het struikgewas opvliegt en er zich dan terug in laat vallen. In 2010 zagen we ze veel in het struikgewas en in de bomen rondom de Isabellagriend terwijl het erop lijkt dat ze tikkertje spelen. De vogel is voortdurend in beweging en laat zich meestal maar kort zien.

De vogel is behalve aan de zang het gemakkelijkst te herkennen aan de witte keel en lichte buik. Ook de bruine rug met de donkere tekening is een kenmerk van de grasmus. Het mannetje zingt vaak vanuit de top van een struik, maar vliegt soms ook op voor een korte zangvlucht.

Grasmussen overwinteren ten zuiden van de Sahara en moeten daarbij de voedselarme woestijn oversteken. Door het uitbreiden van de woestijn wordt de oversteek steeds moeilijker. Mede hierdoor is het aantal grasmussen in Nederland tegenwoordig kleiner dan vroeger.

De grootste dichtheden in Nederland zijn te vinden in het oostelijke deel van het land. De soort voelt zich vooral thuis op zandgronden, maar ook in de duingebieden. In oktober neemt het aantal sterk af en van november tot en met maart zijn ze geheel verdwenen.

Aalscholver

Hieronder de bekende Aalscholver. De aalscholver (Phalacrocorax carbo), ook wel scholver, scholverd of schollevaar genoemd, is een tamelijk grote en opvallende vogel. De in West-Europa voorkomende aalscholver behoort tot de familie van de aalscholvers (Phalacrocoracidae), waarvan minstens 40 soorten bekend zijn. Het zijn allemaal vrij grote watervogels die voornamelijk van vis leven.

Ze vormen met de genten, fregatvogels en slangenhalsvogels een eigen clade (ook al zijn ze verschillend, stammen ze uiteindelijk toch af van gemeenschappelijke voorouders) . Ze hebben een lange snavel met aan de bovenzijde een haakvormige punt die uitsteekt tot over de onderzijde.
Bij de Isabellagriend zien we ze vaak ‘s morgens of laat op de dag als er niet al te veel bezoekers zijn. Verder hebben we al enkele keren meegemaakt dat ze met een groep tezamen vissen; we zien dat vaker op de Oolderplas. Dat is dan wel een heel spektakel.

Zijn voedsel bestaat uit levende vis, zoals voorn, baars, snoekbaars en paling. Hij eet dagelijks zeker 500 gram vis. De aalscholver wordt door beroepsvissers wel beschouwd als een van de oorzaken van de achteruitgang van de palingstand, maar ieder wetenschappelijk bewijs daarvoor ontbreekt. Hoe dan ook, de ‘waterraaf’ is verre van populair bij vissers.

De aalscholver zit overdag vaak met uitgespreide vleugels bij het water. Reden hiervoor is dat de aalscholver, in tegenstelling tot andere zwemmende en duikende vogels, geen beschermende en waterafstotende vetlaag op de veren heeft en dus na iedere zwemtocht moet drogen om weer te kunnen vliegen.

Kneu

Op de foto (knap werk van Ge Driessen) ziet u een mannetjes Kneu. Het mannetje is te herkennen aan het rood van kop en borst, meestal is de kleur afgedekt door de grijze veerranden. Het vrouwtje is over het geheel wat meer streperig getekend dan de man. De kneu (Carduelis cannabina) is een zangvogel uit de familie van vinkachtigen (Fringillidae). Hij komt voor in Europa, Noord-Afrika en West-Azie.

Het is een typische vogel van ouderwets agrarisch cultuurland met houtsingels, heggen en dorpen met veel groen. Het is een zaadeter die zich voedt met zaden van ruigtekruiden en bomen. De zang is prettig aandoend gebrabbel met fluittonen. Soms lijkt het of ze in koor zingen. Vogels die in Nederland broeden trekken in de winter naar Zuid-Spanje en Marokko. De soort is in 2004 als gevoelig (afnemend aantal broedparen) op de Nederlandse rode lijst gezet.

De kneu kent van oudsher veel benamingen in de volksmond, te weten; kneu, vlasvink, robijntje, hennepvink en kneuter. De Haagse straat de Kneuterdijk is naar de Kneu vernoemd. De kneu komt ook voor in het gedicht Oote van Jan Hanlo.

Ma Meerkoet met jonkies

De meerkoet (Fulica atra) behoort tot de familie van de rallen. De vogel is 38 centimeter groot, geheel zwart met een witte snavel en voorhoofdsschild. Jonkies hebben gedurende een korte periode een rood koppie.

Van oorsprong zijn meerkoeten echte moerasvogels, met poten die bijzonder geschikt zijn om te lopen op drijvende vegetatie (kraggen) en wortels van riet- en lis-moerassen. Zijn poten hebben eigenaardige zwemvliezen. Deze zitten niet tussen de tenen maar elke teen heeft aan weerszijden een flap. Bij een achterwaartse beweging van de poot gaan de flappen wijd uit staan. Wordt de poot naar voren bewogen, dan klappen de flapjes weer dicht. Ze kunnen 30 seconden onder water blijven en wel 7 m diep duiken. Ze kunnen hiermee ook beter op het land lopen dan eenden.
De meerkoet duikt veel, met name bij het zoeken naar waterplanten. Hij vliegt niet graag, hij vlucht liever rennend over het water. Ook bij het opstijgen uit het water wordt eerst een stuk rennend afgelegd. Bij migratie, die meestal ‘s nachts plaatsvindt, kan hij echter grote afstanden afleggen.

Een meerkoet met territoriumgedrag. Dit is in de zomer dagelijks wel eens te zien en te horen op de Isabellagriend. Het gaat met veel kabaal en gespetter gepaard. Hij of zij sprint dan ook en heel stuk over het water. De meerkoet bezet vroeg in het voorjaar zijn territorium en verdedigt dat agressief tegen indringers met name ook in de broedtijd.

De meerkoet is een omnivoor, die zich hoofdzakelijk voedt met waterplanten, weekdiertjes en waterinsecten. Het nest wordt aan de waterkant gebouwd van riet en waterplanten. Daarin worden 5 a 10 eieren uitgebroed in een tijdsbestek van 21 tot 25 dagen. De jongen, wanneer ze overleven, worden door beide ouders begeleid en kunnen na ongeveer 8 weken vliegen. Overleeft van een nest slechts een enkel jong of zelfs geen (omdat de jongen een gewilde prooi zijn voor reigers en meeuwen), dan doen de ouders een volgende poging. Per broedseizoen doen de ouders 2 tot 3 pogingen een nest jongen groot te brengen.

In 2010 zijn veel jonge meerkoetjes uitgekomen en we hebben in het seizoen een meerkoeten-echtpaar gezien met een ouder jong uit een eerder nest en enkele pas uit het ei gekomen jonkies.

Reiger

Reigers treffen we veel aan langs de Maas en ook langs de Isabellagriend. Vooral in de noordwestelijke hoek vinden ze een kikkerpoel met veel kikkers en ook visjes.

Als we preciezer naar de soort gaan kijken hebben we meestal met de zogenaamde blauwe reiger te maken: de Ardea cinerea. Ze worden 90-98 cm groot en hierdoor verschillen ze ook van andere reigers. Verder worden ze gekenmerkt door grijze bovendelen, witte kop en nek, zwarte band van losse veren vanaf oog en eindigend in een puntige kuif. Onderdelen grijzig wit met wat zwart op borst en flanken. Grote gele snavel, poten bruinachtig; snavel en poten in broedtijd roze. Het jong heeft een egaler grijs verenkleed en geen zwart op de kop. De blauwe reiger staat vaak bewegingloos in het water of langs de waterkant, met gestrekte of ingetrokken nek. Vliegbeeld met ingetrokken kop en hals (een ronding vormend), lange, brede en ronde vleugels, en uitstekende poten.

Ze fourageren overdag, voornamelijk op vis, amfibieen, kleine zoogdieren, insecten en reptielen; in mindere mate ook kreeftachtigen, schelpdieren, wormen en vogels. Prooi wordt met plotseling uitschietende beweging gevangen. Ze zijn verder tamelijk schuw en niet dicht benaderbaar.

IJsvogel

De ijsvogel is in 2010 een incidentele bezoeker bij de Isabellagriend. Na de winter van 2009/2010 hebben we hem wel weer gehoord maar nog niet gezien. De jaren daarvoor toen er nog meerdere exemplaren waren, hebben we de ijsvogel meermaals gezien. Een foto maken van deze vogel bij de Isabellagriend is nog niemand gelukt.
De meeste mensen die voor het eerst het geluk hebben een ijsvogel te zien, verbazen zich meestal over de mooie, bijna exotische kleuren die hij bezit. Door die kleuren wordt hij ook wel gerekend tot de mooiste broedvogels van ons land. Wanneer je verder gaat kijken naar zijn levenswijze en (balts)gedrag blijkt het ook nog een hele fascinerende vogel te zijn. De ijsvogel behoort technisch gezien tot de orde van Scharrelaar-vogels (Coraciiformes), samen met de bijeneters, scharrelaars, hoppen en neushoornvogels. Onder die orde valt de familie Alcedinidae, waartoe een honderdtal verschillende ijsvogels behoren. In Nederland komt echter slechts een soort voor : de Europese IJsvogel, Alcedo Atthis.

Omdat het zo’n bijzondere vogel is is er ook een aparte site aan gewijd: http://www.ijsvogels.nl. Op deze site is heel veel informatie over deze prachtige vogel te vinden

Grutto

Op 19 september 2003 kregen we voor het eerst een grutto op bezoek bij de Isabellagriend. Helaas is deze vogel in de jaren daarna bijna niet meer gezien.

De Grutto is herkenbaar aan z’n lange snavel die aan het eind iets omhoog buigt. Hij staat hoog op de poten en vliegt vanuit stilstand bijna recht omhoog. Hij zoekt vochtige graslanden, duinen en heide. Zoekt wormen in de grond en gebruikt daarvoor zowel z’n snavel als z’n ogen.
De grutto had het bij ons goed naar de zin want hij liet zich nauwelijks storen door de bezoekers die hem (of is het een haar) kwamen bekijken. De grutto leek dat niet veel te interesseren en bleef maar doorgaan met eten. Hij of zij is tot op enkele meters benaderbaar. Vandaar dan ook onderstaande foto’s. En gelukkig hebben we die nog.

Nergens ter wereld is deze van oorsprong op riviergraslanden en hoogvenen broedende vogel zo talrijk als in de contreien van oer-vaderlandse dorpen als Broek-in-Waterland of St. Nicolaasga. Zelfs binnen de stadsgrenzen van Amsterdam broeden meer grutto’s dan in heel Groot-Brittannië en Frankrijk tezamen!

De winter wordt doorgebracht in West Afrikaanse moerassen en rijstvelden. Oorspronkelijk broedden grutto’s op riviergraslanden en hoogvenen. Vandaag de dag zijn grutto’s in die gebieden nauwelijks nog te vinden. De grutto heeft een, tot recentelijk, uitstekend habitat gevonden in graslanden in agrarisch gebruik. Nu verdwijnt de grutto ook daar bijzonder snel.

Nederland heeft een grote internationale verantwoordelijkheid voor de grutto. Maar liefst 90% van de Noordwest-Europese gruttopopulatie broedt in ons land. De laatste 10 jaar daalde het aantal broedpaartjes in Nederland van 100.000 naar 45.000-50.000 broedparen in 2000 (Atlas van de Nederlandse broedvogels, SOVON, 2002).

Scholekster

In 2003 konden we deze scholekster nog veelvuldig op de foto zetten omdat dit exemplaar niet erg schuw was en zich juist dicht bij de bezoekers bleef ophouden. In de jaren daarna is het aantal scholeksters afgenomen, maar we horen ze soms nog wel.  Ze hebben minder op het terrein gebroed en hun activiteiten om mensen weg te lokken van hun nesten zijn duidelijk minder in aantal geweest.

Scholeksters leven vooral van schelpdieren en wormen. Zij die langs de kusten foerageren, eten vooral mosselen en kokkels, maar ook wel pieren. In het binnenland op de graslanden worden wormen gegeten. Scholeksters specialiseren zich op een bepaalde voedselsoort. Zo zijn er exemplaren die alleen mosselen eten, terwijl andere zich richten op wormen of op kokkels.

Deze specialisatie hangt samen met de techniek die nodig is om bij het voedsel te komen. Mosselen worden doorgaans opengehakt. Zie open gehakte mosselen of twee overgebleven schelpen op de oevers van de Isabellagriend. Het zijn overigens voor het overgrote deel de mannetjes die dit doen. Zij worden ‘hameraars’ genoemd. Een andere methode schelpen te openen is door ze open te wrikken. Men kan aan de vorm van de snavel zien op welke methode zij zich hebben gespecialiseerd.

Fuut

Futen met hun roodbruine kraag, een opvallend kuifje en rode snavel kunnen we dagelijks zien bij de Isabellagriend, maar meestal niet van zo dichtbij. In 1999 konden we onderstaande foto’s maken toen een paartje dicht bij de oever van de Isabellagriend broedde. Futen kunnen overigens al vroeg in het jaar gaan broeden. In 1999 werd in het centrum van Amsterdam en Bolsward zelfs al eind januari een nest met eieren aangetroffen. Toch kan men ook laat in het jaar nog wel broedende futen aantreffen. Er worden soms nog broedende futen aangetroffen in september en oktober en er zijn zelfs enkele gevallen bekend van broedgevallen in december. De oorzaak van deze grote verschillen in broedperiode ligt in het milieu. Dit is voor futen onvoorspelbaar en verschilt van plaats tot plaats. Zo is er bijvoorbeeld een verschil in de broedtijd tussen paren die nestelen in kleinere, rustige wateren en die nestelen in grotere open wateren, zoals meren. Futen die in dergelijke meren broeden, moeten vaak wachten totdat het riet voldoende is ontwikkeld. In grotere wateren is er ook vaak te veel golfslag. Indien er een groot verschil is in de waterstand, door de weersgesteldheid of doordat het waterpeil wordt beïnvloed door de mens, kan het zijn dat het bouwen van een nest moet worden uitgesteld of mislukt.

De fuut is te vinden in zoet water, waar veel riet staat. Ze maken een drijvend nest en nemen hun jongen mee op z’n rug, zoals we bij de Isabellagriend ook al meermaals hebben kunnen waarnemen. Een fuut kan verschrikkelijk goed duiken en lang onder water blijven. Hij komt dan op een heel andere plek boven water als waar hij dook.

Eind juni 2010 zagen we op de Isabellagriend – overigens dus al laat in het seizoen – jonge eendjes, jonge meerkoeten en ook de eerste jonge futen. Dit laatste zal wellicht ook alles te maken hebben met het gegeven dat er dit jaar pas in deze maand veel jonge vis in de plas zit. Bij jonge futen is het grappige dat ze in de beginperiode bescherming zoeken op de schouder van hun moeder. Voor de rest zijn het heel mooie vogels. Onze fotografen Ge Driessen en Michel Schepers hebben ze met de nodige inspanningen prima op de foto gekregen. Mocht u ze zelf nog niet gezien hebben: gelukkig hebben we de foto’s nog altijd. Geniet ervan. Klik erop voor vergrotingen.

Kraaien

Kraaien zitten er natuurlijk ook volop. De foto laat zwarte kraaien zien en de wetenschappelijke naam is Corvus Corone.
In het verleden toen iedereen zijn afval nog kon achterlaten in vuilnisbakken of plastic zakken waren deze laatste altijd een prooi voor deze dieren. Die zakken werden helemaal open getrokken. Een kraai eet dan ook afval, dierenresten, kikkers, eieren, maar ook… noten. Tegenwoordig zien we kraaien daar nogal eens mee bezig. Ze laten die dan van enige hoogte op harde ondergrond vallen in de hoop dat ze open breken. Kraaien hebben zo ook bijgedragen aan de verspreiding van notenbomen op het terrein.

Kraaien zwerven met andere kraaien door bomen in open landschap
Zwarte kraaien leven in paren of in gezinsverband, maar niet in kolonies. Het nest van de zwarte kraai is goed verborgen in bomen en struiken. Meestal worden een stuk of vijf eieren gelegd. Na een broedtijd van 18 dagen komen de jongen uit het ei. Ze hebben altijd honger. Jonge raven blijven lange tijd bij hun ouders. Een volwassen kraai wordt ongeveer 48 cm lang en weegt ongeveer 550 gram. Kraaien zijn monogaam. De partners blijven hun hele leven samen.

Bonte strandloper

Een dag – 11 juli 2005 – verbleef dit vogeltje maar op het naaktstrand en we hadden enige moeite om hem of haar thuis te brengen. Het is een Bonte strandloper (Calidris alpina). Het voedsel van de bonte strandloper bestaat uit allerlei zeediertjes die opgepikt worden terwijl de vogel in ondiep water staat.

De bovendelen zijn in de zomer bruin, de borst wit gestreept en de buik is zwart. In de winter is de bonte strandloper grijsbruin van boven en wit van onderen. Als trekvogel boven de wadden te zien in grote aantallen. In het binnenland komt deze vogel ook overal voor maar meestal maar alleen of met een enkele andere. Het voedsel bestaat voornamelijk uit schelpdieren, kreeftachtigen en in modder levende insecten. De bonte strandloper zoekt het voedsel door voortdurend met de snavel in de modder te prikken en zo de bodem af te tasten.

Boerenzwaluw met jong

De boerenzwaluw (Hirundo rustica) is een vogel die tot de familie zwaluwen (Hirundinidae) behoort. Het is de meest wijdverspreide soort van deze familie; het verspreidingsgebied beslaat vrijwel de hele wereld, waarbij er zeven ondersoorten worden onderscheiden. De boerenzwaluw is een opvallende verschijning door zijn blauwzwarte verenkleed met lange buitenste staartveren en door zijn grote wendbaarheid in de vlucht tijdens de jacht op vliegende insecten. De vogel heeft een voorkeur voor het platteland als leef- en broedgebied, waarbij hij zijn nest onder andere bouwt in boerderijen, schuren en stallen. De Nederlandse naam verwijst daarnaar. Hier krijgt het jong te eten op ons terrein.
De boerenzwaluw is een dag-actieve, sociale vogel. De zwaluw leeft vrijwel het hele leven in groepen van soortgenoten; dergelijke groepen verschillen onderling sterk in omvang. De habitat bestaat uit open, landelijke gebieden. Het leven in een groep heeft voor de boerenzwaluw onder andere als voordeel dat roofvogels eerder worden opgemerkt en dat elk individu minder kans heeft om gegrepen te worden. Boerenzwaluwen komen bij elkaar om te rusten en te zonnebaden of om elkaar te helpen bij het verdrijven van eventuele belagers